Rb. Haarlem 10 juni 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BM9751
enkelvoudige raadkamer; artikel 591a, derde lid, jo artikel 90 SV; artikel 496 Sv; minderjarige verdachte; De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Haarlem wijst het verzoek strekkende tot toekenning aan verzoekers van een vergoeding ten laste van de Staat wegens de door hen als ouders van de gewezen minderjarige verdachte met betrekking tot de strafzaak gemaakte kosten af. De rechtbank is van oordeel dat verzoekers geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van kosten op de voet van artikel 591a, derde lid, Sv. De rechtbank overweegt daartoe dat verzoekers niet zijn opgeroepen op grond van artikel 496, eerste lid, Sv. De strafzaak tegen hun minderjarige zoon is geëindigd zonder dat een terechtzitting heeft plaatsgevonden. De verzochte kosten, die zien op de fase van de voorlopige hechtenis, betreffen de periode voorafgaand aan een terechtzitting en komen derhalve niet op grond van artikel 591a, derde lid, Sv voor vergoeding in aanmerking.
De uitspraak op rechtspraak.nl