Art. 187 Sv, Het verrichten van onderzoekshandelingen door de rechter-commissaris
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. Indien gegrond vermoeden bestaat dat de getuige of deskundige niet ter terechtzitting zal kunnen verschijnen of dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen, nodigt de rechter-commissaris de officier van justitie en de verdachte tot bijwoning van het verhoor uit, tenzij het belang van het onderzoek geen uitstel van het verhoor gedoogt.
2. De rechter-commissaris kan bevelen dat de verdachte de plaats van verhoor zal verlaten, opdat een getuige of deskundige buiten zijn tegenwoordigheid zal worden ondervraagd. Hij kan bepalen dat de verdachte en diens raadsman het verhoor van de getuige niet mogen bijwonen voor zover dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen strikt noodzakelijk is. In het laatste geval is ook de officier van justitie niet bevoegd daarbij tegenwoordig te zijn.
3. De officier van justitie, de verdachte en diens raadsman worden, indien de getuige of deskundige buiten hun aanwezigheid is ondervraagd, zo spoedig mogelijk onderricht over hetgeen de getuige of deskundige heeft verklaard, voorzover dit met de bescherming van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen verenigbaar is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 20 december 1926, ECLI:NL:HR:1926:BG9435
- Rb. Amsterdam 29 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7750
- Conclusie A-G Vellinga 6 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2018:178
- Conclusie A-G Bleichrodt 24 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:934
- Rb. Rotterdam 29 april 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ3048
- Rb. Rotterdam 20 januari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP1528
- Rb. Amsterdam 29 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7615
- Rb. Amsterdam 13 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3919
- Rb. Amsterdam 13 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:6325
- Rb. Amsterdam 25 januari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3593
- Conclusie A-G Jörg 18 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS2023
- Conclusie A-G Keijzer 18 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS2022
- Conclusie A-G Jörg 18 januari 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AR6613
- Conclusie A-G Keijzer 23 november 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AR5107
- HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8264
- HR 23 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR5107
- Hof Amsterdam 23 januari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:120