HR 7 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8264
1. Geschrift verdachte in cassatie. 2 Ondervragingsrecht; verzuim art. 187a Sv en gevolg voor bewijs. Ad 1. Omdat ex art. 437.2 Sv uitsluitend een raadsman namens verdachte cassatiemiddelen kan indienen, kan de HR een ingekomen geschrift van verdachte niet beschouwen als een schriftuur houdende middelen van cassatie. Ad 2. De wetgever heeft i.h.b. aandacht gehad voor de bruikbaarheid voor het bewijs van een ten overstaan van de RC afgelegde verklaring van een getuige, die niet ter terechtzitting door of namens verdachte is kunnen worden ondervraagd. De daartoe ontworpen regeling strekt ertoe dat i.g.v. een getuigenverhoor door de RC zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Met het oog daarop is art. 187a in Sv opgenomen met het voorschrift dat aan verdachte die geen raadsman heeft, op last van de RC onverwijld een raadsman wordt toegevoegd ingeval die raadsman ex art. 186a.1 of 187 Sv bevoegd zou zijn enig verhoor bij te wonen en de getuige vragen te (doen) stellen. In aanmerking genomen dat i.c. een raadsman bevoegd zou zijn geweest de getuigenverhoren bij te wonen, had de RC ex art. 187a Sv een last behoren te geven tot toevoeging van een raadsman aan verdachte. Dit is evenwel niet geschied. Onder de door de HR genoemde omstandigheden had het hof niet de ten overstaan van de RC afgelegde verklaring van X voor het bewijs mogen bezigen.
De uitspraak op rechtspraak.nl