Art. 19 Tramwegreglement, Voorschriften betreffende de inrichting der trekvoertuigen, welke door stoomkracht worden bewogen
1. Elk trekvoertuig, dat door stoomkracht wordt bewogen, moet voorzien zijn:
a. van een goed aansluitenden aschbak, voorzien van eene of meer trekkleppen, die van de standplaats van den machinist of, indien zich een tweede beambte op het trekvoertuig bevindt, althans van die van dezen beambte, kunnen worden bewogen; de bak moet zoodanig zijn ingericht, dat bij geopende klep het uitvallen van brandende stoffen zooveel mogelijk voorkomen wordt;
b. van eene inrichting om het ontwijken van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen zooveel mogelijk te voorkomen;
c. van twee van elkander onafhankelijke voedingsinrichtingen, die elk voor zich voldoende zijn om ruimschoots in de waterbehoefte van den ketel te voorzien, en waarvan ten minste één niet door het werktuig wordt gedreven. Elke dier voedingsinrichtingen moet aan den ketel verbonden zijn door eene afsluitinrichting met klep en kraan.
2. De Minister kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verleenen.