Art. 15 Tramwegreglement, Voorschriften betreffende de inrichting der trekvoertuigen
1. Elk trekvoertuig moet voorzien zijn:
a. voor en achter van spoorstaafruimers en van eene veerkrachtige koppeling;
b. van een zich onder het onmiddellijk bereik van de machinist of de wagenvoerder bevindende inrichting om geluidseinen te geven;
c. van de noodige lantaarns en seinlampen;
d. van eene krachtige gemakkelijk te bedienen rem, werkende op alle assen of wielen;
e. van inrichtingen, waardoor zooveel mogelijk wordt voorkomen, dat menschen en dieren, die worden aangereden, onder de wielen geraken.
2. De Minister kan ontheffing verleenen van het voorschrift onder d, voor zooveel daarin wordt bepaald, dat de rem op alle assen of wielen moet werken, en van het voorschrift onder e.