Art. 43 ROW, Handhaving van het octrooi
1. De octrooihouder kan zijn octrooi handhaven jegens een ieder die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, een der in artikel 30, eerste lid, genoemde handelingen verricht.
2. Schadevergoeding kan slechts worden gevorderd van hem, die de handelingen desbewust verricht. Men wordt in elk geval geacht desbewust te hebben gehandeld, indien de inbreuk gepleegd is na verloop van 30 dagen, nadat men bij deurwaardersexploit op de strijd tussen de handelingen en het octrooi is gewezen.
3. In plaats van schadevergoeding kan worden gevorderd, dat de gedaagde veroordeeld wordt de door de inbreuk genoten winst af te dragen en dienaangaande rekening en verantwoording af te leggen; indien de rechter evenwel van oordeel is, dat de omstandigheden van het geval tot zulk een veroordeling geen aanleiding geven, zal hij de gedaagde tot schadevergoeding kunnen veroordelen.
4. De octrooihouder kan de vorderingen tot schadevergoeding of het afdragen van winst ook of mede namens licentienemers of pandhouders instellen, onverminderd de bevoegdheid van deze laatsten in een al of niet namens hen of mede namens hen door de octrooihouder aldus ingestelde vordering tussen te komen om rechtstreeks de door hen geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde af te dragen winst te doen toewijzen. Een zelfstandige vordering kunnen licentienemers en pandhouders slechts instellen, en exploiten als bedoeld in het tweede lid met het oog daarop doen uitbrengen, als zij de bevoegdheid daartoe van de octrooihouder hebben bedongen.
5. Indien een rechtsvordering wordt ingesteld tot handhaving van een octrooi voor een werkwijze tot vervaardiging van een nieuw voortbrengsel, dan wordt vermoed, dat het betrokken voortbrengsel volgens de geoctrooieerde werkwijze is vervaardigd, tenzij door de gedaagde het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt. Bij de beoordeling van de vraag of een voortbrengsel nieuw is blijft de inhoud van in artikel 2, derde en vierde lid, bedoelde octrooiaanvragen buiten beschouwing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6098
- Conclusie A-G Bakels 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519
- HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9714
- Conclusie A-G van Peursem 2 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:670
- Conclusie A-G van Peursem 2 juli 2021, ECLI:NL:PHR:2021:669
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 8 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:244
- HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9293
- HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5065
- Conclusie A-G van Peursem 9 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:580
- Conclusie A-G Verkade 9 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BL9293
- Conclusie A-G Wesseling-van Gent 29 mei 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH4042
- Conclusie A-G Langemeijer 15 februari 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BB5065
- Conclusie A-G Langemeijer 8 december 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY8286
- Conclusie A-G Strikwerda 26 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO1944
- Conclusie A-G Langemeijer 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AF9714
- Hof 's-Gravenhage 21 augustus 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BX9633
- Hof 's-Gravenhage 11 mei 2006, ECLI:NL:GHSGR:2006:AX1350