Art. 54 ROW, Behandeling van geschillen betreffende octrooien voor de rechter
1. Voor alle vorderingen tot nietigverklaring, vaststelling van een verlies van rechtsgevolg of opeising van octrooien, bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 51, 52 en 53, voor alle vorderingen tot opeising van Europese octrooiaanvragen, alsmede voor alle vorderingen tot vaststelling van een vergoeding, als in artikel 34, negende lid, 34A, tweede lid, of 34B, derde lid, bedoeld, is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage.
2. De arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage en de president van die rechtbank in kort geding zijn in eerste aanleg in Nederland uitsluitend bevoegd voor alle vorderingen als bedoeld in de artikelen 43, 43A, 43B en 44A, alsmede voor alle vorderingen welke worden ingesteld door een ander dan de octrooihouder ten einde te doen vaststellen dat bepaalde door hem verrichte handelingen niet strijdig zijn met een octrooi.
3. Bij de behandeling ter terechtzitting van geschillen bedoeld in het eerste en tweede lid mogen octrooigemachtigden het woord voeren onverminderd de verantwoordelijkheid van de procureur.
4. Overigens gelden de gewone in Nederland van kracht zijnde voorschriften betreffende de rechtspraak.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986
- Conclusie A-G van Peursem 31 augustus 2018, ECLI:NL:PHR:2018:957
- Rb. Arnhem 4 mei 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AT7634
- Rb. Den Haag 20 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6008
- Rb. Den Haag 23 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27075
- Rb. Den Haag 16 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17019
- Conclusie A-G Strikwerda 19 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO0903
- Conclusie A-G Asser 19 februari 1993, ECLI:NL:PHR:1993:43