Art. 243 Fw, Van de verlening van surseance van betaling en haar gevolgen
1. Gedurende acht dagen na de dag der beschikking heeft, in geval van intrekking der surseance, de schuldenaar, en, ingeval de intrekking der surseance geweigerd is, hij, die het verzoek tot intrekking heeft gedaan, recht van hoger beroep tegen de beschikking der rechtbank.
2. Het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een verzoek ter griffie van het gerechtshof, dat van de zaak moet kennis nemen. De griffier van het gerechtshof geeft van die indiening terstond kennis aan die van de rechtbank.
3. De voorzitter van het gerechtshof bepaalt terstond dag en uur voor de behandeling van het verzoek. De griffier roept ten spoedigste hen, die het verzoek tot intrekking hebben gedaan, de schuldenaar en de bewindvoerders schriftelijk tegen de bepaalde dag op.
4. De beschikking van het gerechtshof wordt door de griffier terstond medegedeeld aan die van de rechtbank.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1281
- HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1280
- Conclusie A-G van Peursem 14 juli 2017, ECLI:NL:PHR:2017:885
- Conclusie A-G Timmerman 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:529
- Conclusie A-G Timmerman 21 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:528
- Conclusie A-G Timmerman 19 mei 2017, ECLI:NL:PHR:2017:527
- Conclusie A-G Timmerman 21 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:526
- Conclusie A-G Langemeijer 17 april 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BH2958