Art. 132 Fw, Van de verificatie der schuldvorderingen
1. Schuldeisers, wier vorderingen door pand, hypotheek of retentierecht gedekt of op een bepaald voorwerp bevoorrecht zijn, maar die kunnen aantonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeisers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang.
2. Het bedrag waarvoor pand- en hypotheekhouders batig gerangschikt kunnen worden, wordt bepaald met inachtneming van artikel 483e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met dien verstande dat voor het tijdstip van het opmaken van de staat in de plaats treedt de aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesproken.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 16 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3023
- Rb. Amsterdam 17 september 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5661
- Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5717
- Rb. 's-Gravenhage 28 oktober 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK4522
- Conclusie A-G De Vries Lentsch-Kostense 14 juni 2013, ECLI:NL:PHR:2013:BZ5663
- Conclusie A-G Timmerman 9 juli 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO7575
- Hof Arnhem-Leeuwarden 22 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9816