Rb. Amsterdam 27 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:5717

Wederzijds zekerhedenarrangement en faillissement. Het voor faillissement ten gunste van ICF gevestigde pandrecht strekt ook tot zekerheid van de contractuele regresvordering van ICF op haar (gefailleerde) schuldenaar uit hoofde van borgstelling. De regresvordering vloeit voort uit een rechtshandeling verricht met de schuldenaar voor faillissement en is – gelet op de tekst van het wederzijdse zekerheidsarrangement – aan te merken als een onder opschortende voorwaarde bestaande vordering. Uit ASR/Achmea is niet af te leiden dat een contractuele regresvordering voortvloeiend uit een wederzijds zekerhedenarrangement (vanuit faillissementsoogpunt) niet reeds onder opschortende voorwaarde zou kunnen bestaan, hetgeen immers expliciet is gesanctioneerd in Bannenberg qq/NMB, op welk arrest de Hoge Raad - blijkens rechtsoverweging 3.6 van ASR/Achmea - niet is teruggekomen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken