Art. 136 RO, Het openbaar ministerie
Wet op de rechterlijke organisatie (RO)
1. Bij een arrondissementsparket zijn werkzaam:
a. een hoofdofficier van justitie;
b. een plaatsvervangend hoofdofficier van justitie;
c. officieren van justitie;
d. plaatsvervangende officieren van justitie;
e. officieren enkelvoudige zittingen;
f. plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen;
g. andere ambtenaren.
2. Bij een arrondissementsparket kunnen werkzaam zijn:
a. senior officieren van justitie A;
b. senior officieren van justitie;
c. substituut-officieren van justitie;
d. officieren in opleiding.
3. Aan het hoofd van een arrondissementsparket staat de hoofdofficier van justitie met de titel hoofd van het arrondissementsparket. Hij kan algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan de bij zijn parket werkzame ambtenaren betreffende de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het parket.
4. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van het hoofd van het arrondissementsparket, wordt hij vervangen door de plaatsvervangend hoofdofficier van justitie.
5. De hoofdofficier van justitie, plaatsvervangend hoofdofficier van justitie, senior officieren van justitie A, senior officieren van justitie, officieren van justitie, substituut-officieren van justitie en plaatsvervangende officieren van justitie onderscheidenlijk officieren enkelvoudige zittingen en plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen zijn van rechtswege plaatsvervangend officier van justitie onderscheidenlijk plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen bij de overige arrondissementsparketten, bij het landelijk parket, bij het functioneel parket, bij het parket centrale verwerking openbaar ministerie en bij het parket-generaal.
6. De officier enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officier enkelvoudige zittingen hebben de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de wet aan de officier van justitie worden toegekend, met uitzondering van de bevoegdheid om op te treden ter terechtzitting van een meervoudige kamer van de rechtbank.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050
- Hof Leeuwarden 12 december 2007, ECLI:NL:GHLEE:2007:BB9782
- Hof Amsterdam 10 april 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC9212
- Conclusie A-G Knigge 7 juli 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3413
- Rb. Den Haag 1 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11385
- Rb. Breda 13 mei 2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4420
- Rb. Amsterdam 25 april 2002, ECLI:NL:RBAMS:2002:AE4166
- Conclusie A-G Hofstee 13 juli 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BM6354
- Conclusie A-G Knigge 8 september 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI3877
- Conclusie A-G Vellinga 18 november 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BF2107
- Conclusie A-G Fokkens 9 september 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BF0713
- Conclusie A-G Fokkens 11 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU4093
- Conclusie A-G Fokkens 11 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU4091
- Conclusie A-G Fokkens 9 oktober 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB3295
- Hof 's-Hertogenbosch 15 juli 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD9143
- Hof Arnhem 31 augustus 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BB3153