Conclusie A-G Fokkens 11 oktober 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU4091

Verzoekschrift ex art. 510 Sv. De strekking van art. 510 Sv is te waarborgen dat een rechterlijk ambtenaar die wordt verdacht van een strafbaar feit, in eerste of tweede aanleg zal worden vervolgd of berecht door een zodanige instantie dat de schijn van bevoordeling of benadeling van hem wordt vermeden. De vermijding van die schijn is ook van belang bij de beslissing van het OM om – in het geval dat jegens een rechterlijk ambtenaar een redelijke verdenking van een strafbaar feit is gerezen – al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid hetzij die ambtenaar (voorwaardelijk) niet te vervolgen, hetzij hem de gelegenheid te bieden strafvervolging te voorkomen door voldoening aan daartoe ex art. 74 Sr gestelde voorwaarden. Gelet daarop moet art. 510 Sv aldus worden uitgelegd dat in de in lid 1 genoemde gevallen het OM dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, gehouden is een verzoek tot aanwijzing van een ander gerecht in te dienen in het geval dat naar zijn aanvankelijk oordeel een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt, opdat het OM bij het aan te wijzen gerecht beslist omtrent de verdere behandeling van de zaak (HR NJ 2005, 144). Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat het OM dat naar de gewone regelen met de vervolging is belast, steeds bevoegd is een dergelijk verzoek in te dienen, bijvoorbeeld indien het zich nog geen oordeel heeft gevormd over de vraag of een rechterlijk ambtenaar als verdachte van een strafbaar feit moet worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen