Art. 549 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, Van executie door een hypotheekhouder
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
1. Een verzoekschrift van de hypotheekhouder tot het verkrijgen van het verlof, bedoeld in artikel 264 lid 5 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan, behalve door een advocaat, ook door een notaris worden ingediend, in welk geval diens kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker geldt. Bij het verzoekschrift wordt overgelegd een niet langer dan één maand tevoren aan de huurder of, als de woonruimte in zijn plaats door een onderhuurder wordt bewoond, aan de onderhuurder door een deurwaarder uitgebracht exploit waarbij:
a. aan de huurder of onderhuurder wordt betekend de aanzegging of de overneming van de executie door de hypotheekhouder bedoeld in artikel 544;
b. aan de huurder of onderhuurder wordt aangezegd dat het beding jegens de huurder zal worden ingeroepen.
2. De voorzieningenrechter beslist niet dan na verhoor of behoorlijke oproeping van de huurder en de eventuele onderhuurders.
3. Indien het onderpand met overlating aan de koper van de bevoegdheid het beding in te roepen wordt verkocht, gaan ook de rechten uit de beschikking waarbij het verlof is verleend, op de koper over.
4. Onder de huurder in de zin van dit artikel wordt begrepen degene die ingevolge artikel 266 lid 1 of artikel 267 lid 1 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek medehuurder is.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 11 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:6624
- Rb. Overijssel 6 december 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:6506
- Rb. Noord-Nederland 20 maart 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:BZ5554
- Rb. Amsterdam 15 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:289
- Hof 's-Gravenhage 4 mei 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM8957
- Hof Amsterdam 6 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:6