Art. 98 Verordening (EU) 2024/1620, Gegevensbescherming
1. De verwerking van persoonsgegevens op basis van deze verordening met het oog op het voorkomen van ML/TF als bedoeld in artikel 70 van Richtlijn (EU) 2024/1640 en artikel 76 van Verordening (EU) 2024/1624 wordt noodzakelijk geacht voor de vervulling van een taak in het algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de autoriteit is verleend krachtens artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1725 en artikel 6 van Verordening (EU) 2016/679.
Wanneer de autoriteit overeenkomstig artikel 54 richtsnoeren en aanbevelingen opstelt en die aanzienlijke gevolgen hebben voor de bescherming van persoonsgegevens, werkt zij daarbij nauw samen met het bij Verordening (EU) 2016/679 ingestelde Europees Comité voor gegevensbescherming om dubbel werk, inconsistenties en rechtsonzekerheid op het gebied van gegevensbescherming te voorkomen. Na daarvoor toestemming van de Commissie te hebben gekregen, raadpleegt de autoriteit tevens de bij Verordening (EU) 2018/1725 ingestelde Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. De autoriteit mag ook nationale autoriteiten voor gegevensbescherming uitnodigen als waarnemers bij het opstellen van dergelijke richtsnoeren en aanbevelingen.
2. Overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) 2018/1725 is het de autoriteit toegestaan interne regels vast te stellen die de toepassing van de rechten van de betrokkenen beperken indien dergelijke beperkingen noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 70 van Richtlijn (EU) 2024/1640 en artikel 76 van Verordening (EU) 2024/1624.