Art. 102 Verordening (EU) 2024/1620, Evaluatie en toetsing
1. Uiterlijk op 31 december 2030, en vervolgens om de vijf jaar, stelt de Commissie een verslag op over de prestaties van de autoriteit, in het bijzonder met betrekking tot de doelstellingen, het mandaat, de taken en de locatie ervan overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie. In dat verslag wordt in het bijzonder het volgende behandeld:
a) de eventuele noodzaak om het mandaat van de autoriteit te wijzigen, en de financiële gevolgen van een dergelijke wijziging;
b) het effect van alle toezichtactiviteiten en -taken van de autoriteit op de belangen van de Unie in haar geheel, en met name de doeltreffendheid van:
i) toezichttaken en -activiteiten in verband met direct toezicht op geselecteerde meldingsplichtige entiteiten;
ii) indirect toezicht op niet-geselecteerde meldingsplichtige entiteiten;
iii) indirect toezicht op andere meldingsplichtige entiteiten;
c) het effect van de activiteiten in verband met de ondersteuning en coördinatie van FIE’s, en met name de coördinatie van de door FIE’s uitgevoerde gezamenlijke analyses van grensoverschrijdende activiteiten en transacties;
d) de onpartijdigheid, objectiviteit en autonomie van de autoriteit;
e) de geschiktheid van governanceregelingen, onder meer wat betreft de samenstelling van en de stemregeling in de raad van bestuur en de relatie tussen de raad van bestuur en de algemene raad;
f) de kosteneffectiviteit van de autoriteit, indien passend opgesplitst naar de verschillende financieringsbronnen;
g) de doeltreffendheid van het mechanisme om bezwaar te maken tegen besluiten van de autoriteit en de regelingen inzake onafhankelijkheid en verantwoordingsplicht die van toepassing zijn op de autoriteit;
h) de doeltreffendheid van de regelingen voor samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de autoriteit en niet-AML/CFT-autoriteiten;
i) de interactie tussen de autoriteit en de andere toezichthoudende autoriteiten en organen van de Unie, waaronder de EBA, Europol, Eurojust, OLAF en het EOM;
j) de reikwijdte van het directe toezicht en de criteria en methoden voor de beoordeling en selectie van entiteiten voor direct toezicht;
k) de doeltreffendheid van de toezicht- en sanctiebevoegdheden van de autoriteit;
l) de mate van doeltreffendheid en convergentie die toezichthoudende autoriteiten bij hun toezichtpraktijken bereiken, en de rol van de autoriteit daarbij.
2. In het in lid 1 bedoelde verslag wordt ook onderzocht:
a) of de middelen waarover de autoriteit beschikt, berekend zijn op de uitvoering van haar taken;
b) of het passend is de autoriteit aanvullende toezichttaken met betrekking tot meldingsplichtige entiteiten in de niet-financiële sector op te dragen, waarbij indien passend wordt gespecificeerd op welke soorten entiteiten aanvullend toezicht moet worden gehouden;
c) of het passend is aanvullende toezichttaken op te leggen op het gebied van ondersteuning en coördinatie van de werkzaamheden van de FIE’s;
d) of het passend is de autoriteit aanvullende sanctiebevoegdheden te verlenen.
3. In het kader van elk tweede verslag voert de Commissie een grondige evaluatie uit van de resultaten die de autoriteit in het licht van haar doelstellingen heeft bereikt, van het mandaat, de taken en bevoegdheden van de autoriteit, en van de vraag of het voortbestaan van de autoriteit nog steeds gerechtvaardigd is gelet op die doelstellingen, dat mandaat en die taken.
4. Het verslag en eventuele begeleidende voorstellen worden doorgezonden naar het Europees Parlement en de Raad.