Art. 48 Verordening (EU) 2024/1620, Collegiale toetsing

Verordening (EU) 2024/1620

1. De autoriteit zorgt ervoor dat de activiteiten van FIE’s op grond van hoofdstuk III van Richtlijn (EU) 2024/1640 collegiaal worden getoetst om de consistentie en doeltreffendheid van de FIE-activiteiten te versterken en de uitwisseling van beste praktijken tussen FIE’s te faciliteren. De autoriteit ontwikkelt methoden om de collegiaal getoetste FIE’s objectief te kunnen beoordelen en stelt ook procedureregels op om collegiale toetsingen uit te voeren.

Bij de planning en uitvoering van collegiale toetsingen wordt zo nodig terdege rekening gehouden met de evaluaties, beoordelingen en verslagen die zijn opgesteld door internationale organisaties en intergouvernementele organen met bevoegdheden op het gebied van het voorkomen en opsporen van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering.

2. Voor de toepassing van lid 1 richt de autoriteit een team voor collegiale toetsing op, dat bestaat uit personeelsleden van de autoriteit en vertegenwoordigers van de aan de collegiale toetsing deelnemende FIE’s.

3. De collegiale toetsing van de activiteiten van een FIE omvat een beoordeling van onder meer, maar niet uitsluitend, het volgende:

a) de mate waarin de middelen van de FIE, met inbegrip van personele, technische en IT-middelen, geschikt zijn voor de uitvoering van de taken van de FIE;

b) de maatregelen die zijn genomen om ervoor te zorgen dat de FIE operationeel onafhankelijk en autonoom is en niet op ongepaste wijze wordt beïnvloed;

c) de maatregelen die de FIE heeft genomen om de beveiliging en vertrouwelijkheid van informatie te beschermen;

d) de taak van de FIE om meldingen van verdachte transacties en andere mededelingen te ontvangen, met inbegrip van het aantal en de aard van de ontvangen mededelingen en de kwaliteit ervan;

e) de maatregelen die de FIE heeft genomen om de melding van verdachte transacties door meldingsplichtige entiteiten te verbeteren, met name met betrekking tot de kwaliteit ervan;

f) de toegang van de FIE tot en haar gebruik van aanvullende informatie om haar analyse te verrijken;

g) de instrumenten die de FIE gebruikt om een analyse uit te voeren;

h) de mate waarin de analyse en verspreiding door de FIE tegemoetkomen aan de operationele behoeften van de autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoek naar en de vervolging van witwassen, daarmee verband houdende basisdelicten en terrorismefinanciering;

i) binnenlandse samenwerking tussen de FIE en andere bevoegde autoriteiten;

j) grensoverschrijdende samenwerking tussen de FIE en FIE’s uit andere lidstaten.

4. De autoriteit legt een verslag met de resultaten van de collegiale toetsing voor. Het collegiale-toetsingsverslag wordt gezamenlijk opgesteld door het personeel van de autoriteit en het desbetreffende personeel van de FIE’s die betrokken zijn bij het team voor collegiale toetsing en wordt goedgekeurd door de raad van bestuur, nadat die de opmerkingen van de algemene raad in FIE-samenstelling heeft ontvangen over de vraag of de methode consistent wordt toegepast in vergelijking met andere collegiale-toetsingsverslagen. Het verslag omvat vastgestelde goede praktijken en zo nodig follow-upmaatregelen die volgens de collegiale toetsing passend, evenredig en noodzakelijk worden geacht. Die follow-upmaatregelen kunnen de vorm aannemen van richtsnoeren en aanbevelingen op grond van artikel 54 en een advies op grond van artikel 55. FIE’s stellen alles in het werk om te voldoen aan de overeenkomstig artikel 54 opgestelde richtsnoeren en aanbevelingen.

5. De autoriteit maakt de bevindingen van de collegiale toetsing bekend op haar website en legt de Commissie een advies voor wanneer zij, gelet op het resultaat van de collegiale toetsing of andere informatie die zij bij de uitvoering van haar taken heeft verkregen, van oordeel is dat verdere harmonisering van de Unieregels voor FIE’s noodzakelijk zou zijn vanuit het oogpunt van de Unie.

6. De autoriteit legt twee jaar na de bekendmaking van het collegiale-toetsingsverslag een follow-upverslag voor. Het follow-upverslag wordt gezamenlijk opgesteld door het personeel van de autoriteit en het desbetreffende personeel van de FIE’s die betrokken waren bij het team voor collegiale toetsing en wordt goedgekeurd door de raad van bestuur, nadat die de opmerkingen van de algemene raad in FIE-samenstelling heeft ontvangen over de vraag of de methode consistent wordt toegepast in vergelijking met andere collegiale-toetsingsverslagen. Het follow-upverslag omvat een beoordeling van de adequaatheid en doeltreffendheid van de actie die de collegiaal getoetste FIE’s naar aanleiding van de follow-upmaatregelen van het collegiale-toetsingsverslag hebben ondernomen. De autoriteit maakt de bevindingen van het follow-upverslag bekend op haar website.

7. Voor de toepassing van dit artikel stelt de raad van bestuur om de twee jaar een werkplan voor collegiale toetsing vast, waarin rekening wordt gehouden met de uit de vorige collegiale toetsingen getrokken lessen en met de besprekingen van de algemene raad in FIE-samenstelling. Het werkplan voor collegiale toetsing vormt een apart onderdeel van het jaarlijkse en het meerjarige werkprogramma en wordt opgenomen in het enig programmeringsdocument. Elke FIE neemt deel aan de collegiale toetsingen die op haar betrekking hebben.

Vorige artikelen

Volgende artikelen