Art. 10 Verordening (EU) 2024/1620, Wederzijdse bijstand binnen het AML/CFT-toezichtsysteem
1. De autoriteit kan indien passend:
a) nieuwe praktische instrumenten en convergentiehulpmiddelen ontwikkelen ter bevordering van gemeenschappelijke benaderingen en beste praktijken op het gebied van toezicht;
b) praktische hulpmiddelen en methoden voor wederzijdse bijstand ontwikkelen naar aanleiding van:
i) specifieke verzoeken van toezichthoudende autoriteiten;
ii) naar haar verwezen meningsverschillen tussen toezichthoudende autoriteiten over de maatregelen die verschillende toezichthoudende autoriteiten gezamenlijk moeten nemen ten aanzien van een meldingsplichtige entiteit.
2. De autoriteit faciliteert en stimuleert ten minste de volgende activiteiten:
a) sectorale en sectoroverschrijdende opleidingsprogramma’s, onder meer inzake technologische innovatie;
b) uitwisseling van personeel en gebruik van detacheringsregelingen, jumelages en korte bezoeken;
c) uitwisseling van beste praktijken op het vlak van toezicht tussen toezichthoudende autoriteiten, wanneer één autoriteit expertise heeft ontwikkeld op een specifiek gebied in verband met AML/CFT-toezichtpraktijken.
3. Elke toezichthoudende autoriteit kan bij de autoriteit een verzoek om wederzijdse bijstand in verband met haar toezichttaken indienen, met vermelding van het soort bijstand dat zij verlangt van het personeel van de autoriteit, het personeel van een of meer toezichthoudende autoriteiten, of een combinatie daarvan. Indien het verzoek betrekking heeft op activiteiten die verband houden met het toezicht op specifieke meldingsplichtige entiteiten, stuurt de verzoekende toezichthoudende autoriteit de voor de bijstand vereiste informatie en gegevens aan de autoriteit. De autoriteit bewaart de informatie over specifieke expertisegebieden en over de capaciteit van de toezichthoudende autoriteiten om wederzijdse bijstand te verlenen met betrekking tot hun toezichttaken, en werkt die geregeld bij.
4. Wanneer de autoriteit wordt verzocht bijstand te verlenen voor de uitvoering, op nationaal niveau, van specifieke toezichttaken in verband met andere meldingsplichtige entiteiten dan geselecteerde meldingsplichtige entiteiten, specificeert de verzoekende toezichthoudende autoriteit in haar verzoek voor welke taken bijstand wordt gevraagd. De bijstand wordt niet opgevat als zou er een overdracht — van de verzoekende toezichthoudende autoriteit aan de autoriteit — van toezichthoudende taken, bevoegdheden of verantwoordingsplicht voor het toezicht op de andere meldingsplichtige entiteiten dan geselecteerde meldingsplichtige entiteiten plaatsvinden.
5. Indien de autoriteit van mening is dat het een passend en haalbaar verzoek betreft, stelt zij alles in het werk om de gevraagde bijstand te verlenen, onder meer door haar eigen personele middelen in te zetten en door ervoor te zorgen dat bij de toezichthoudende autoriteiten op vrijwillige basis middelen worden ingezet.
6. Uiterlijk aan het eind van elk jaar stelt de voorzitter van de autoriteit de algemene raad in toezichtsamenstelling in kennis van de personele middelen die de autoriteit voor de verlening van de krachtens lid 3 van dit artikel gevraagde bijstand tijdens het volgende jaar zal toewijzen. Wanneer zich wijzigingen voordoen in de beschikbaarheid van personele middelen als gevolg van de uitvoering van in artikel 5, leden 2, 3 en 4, bedoelde taken, stelt de voorzitter van de autoriteit de algemene raad in toezichtsamenstelling daarvan in kennis.
7. Elke interactie tussen het personeel van de autoriteit en de meldingsplichtige entiteit blijft onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de toezichthoudende autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op die entiteit. Die interactie wordt niet opgevat als een overdracht van taken of bevoegdheden met betrekking tot individuele meldingsplichtige entiteiten binnen het AML/CFT-toezichtsysteem.