Art. 4 Verordening (EU) 2024/1349, Terugkeergrensprocedure

Verordening (EU) 2024/1349

1. Onderdanen van derde landen en staatlozen van wie het verzoek is afgewezen in het kader van de asielgrensprocedure, worden niet toegelaten tot het grondgebied van de betrokken lidstaat.

2. De in lid 1 bedoelde personen worden door de lidstaten verplicht om gedurende ten hoogste twaalf weken op locaties aan of in de buurt van de buitengrens of in transitzones te verblijven. Indien die personen niet op die locaties kunnen worden opgevangen, mag de lidstaat andere locaties op zijn grondgebied gebruiken. De termijn van twaalf weken vangt aan op de datum waarop de verzoeker, de onderdaan van een derde land of de staatloze niet langer het recht heeft om te blijven en geen toestemming krijgt om te blijven. De verplichting om overeenkomstig dit lid op een bepaalde locatie te verblijven, wordt niet beschouwd als een toestemming om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen of er te verblijven. De omstandigheden op die locaties voldoen aan de normen die gelijkwaardig zijn aan die van de materiële opvangvoorzieningen en de gezondheidszorg overeenkomstig de artikelen 19 en 20 van Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad (16) zoals zij gelden voor personen die nog steeds als verzoekers worden beschouwd.

3. Artikel 3, artikel 4, lid 1, artikel 5, artikel 6, leden 1 tot en met 5, artikel 7, leden 2 en 3, artikelen 8 tot en met 11, artikel 12, artikel 14, lid 1, artikel 15, leden 2 tot en met 4, en de artikelen 16 tot en met 18 van Richtlijn 2008/115/EG zijn van toepassing ten behoeve van dit artikel.

4. Indien een terugkeerbesluit niet binnen de in lid 2 bedoelde maximumtermijn kan worden uitgevoerd, zetten de lidstaten de terugkeerprocedures voort overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG.

5. Onverminderd de mogelijkheid om te allen tijde vrijwillig terug te keren, wordt aan de in lid 1 bedoelde personen een termijn voor vrijwillig vertrek toegekend, tenzij er een risico op onderduiken bestaat, of indien hun verzoek in het kader van de asielgrensprocedure als kennelijk ongegrond is afgewezen, of indien de betrokkene een risico vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid van de lidstaten. De termijn voor vrijwillig vertrek wordt alleen op verzoek toegekend en bedraagt ten hoogste 15 dagen, zonder het recht om het grondgebied van de betrokken lidstaat binnen te komen. Voor de toepassing van dit lid, en zo lang als nodig is om onderduiken te voorkomen, overhandigen de betrokkenen alle geldige reisdocumenten die zij bezitten aan de bevoegde autoriteiten.

6. De lidstaten die na de afwijzing van een verzoek in het kader van de asielgrensprocedure een weigering van toegang overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (17) uitvaardigen en die op grond van artikel 2, lid 2, punt a), van Richtlijn 2008/115/EG hebben besloten om die richtlijn in die gevallen niet toe te passen, zorgen ervoor dat de behandeling en het niveau van bescherming van de onderdanen van derde landen en de staatlozen aan wie toegang wordt geweigerd, in overeenstemming zijn met artikel 4, lid 4, van Richtlijn 2008/115/EG en gelijkwaardig aan de behandeling en het niveau van bescherming als bepaald in lid 2 van dit artikel en in artikel 5, lid 4, van deze verordening.

Uitspraken die dit artikel aanhalen