Art. 37 Verordening (EU) 2024/1252, Internationale samenwerking en strategische partnerschappen
1. De raad kritieke grondstoffen bespreekt op gezette tijden:
a) de mate waarin de door de Unie aangegane strategische partnerschappen bijdragen aan:
i) de verbetering van de voorzieningszekerheid van de Unie, inclusief de in artikel 5, lid 1, punt b), vastgestelde benchmarks;
ii) de verbetering van de samenwerking tussen de Unie en partnerlanden in de gehele kritiekegrondstoffenwaardeketen, onder meer via capaciteitsopbouw en technologieoverdracht teneinde de circulariteit en verantwoorde recycling van kritieke grondstoffen in producerende landen te stimuleren;
iii) de economische en sociale ontwikkeling van partnerlanden, onder meer door het bevorderen van duurzame en circulaire economische praktijken, fatsoenlijke arbeidsomstandigheden en eerbiediging van de mensenrechten in hun grondstoffenwaardeketens;
b) de samenhang en mogelijke synergieën tussen bilaterale samenwerking van lidstaten met relevante derde landen en de acties die door de Unie in het kader van strategische partnerschappen worden ondernomen;
c) welke derde landen prioriteit zouden kunnen krijgen bij het aangaan van strategische partnerschappen, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende criteria:
i) de mogelijke bijdrage tot de voorzieningszekerheid en de veerkracht daarvan, rekening houdend met de potentiële capaciteiten voor voorraden, winning, verwerking en recycling met betrekking tot kritieke grondstoffen van een derde land;
ii) de vraag of samenwerking tussen de Unie en een derde land zou kunnen leiden tot een verbetering van het vermogen van een derde land om negatieve milieueffecten te monitoren, voorkomen en minimaliseren door middel van het regelgevingskader van dat derde land en de uitvoering daarvan, het toepassen van maatschappelijk verantwoorde praktijken (waaronder eerbiediging van de mensenrechten en arbeidsrechten), met name inzake dwang- en kinderarbeid, zinvolle betrokkenheid van plaatselijke gemeenschappen, waaronder inheemse volkeren, een transparante en verantwoordelijke bedrijfsvoering, en het voorkomen van negatieve gevolgen voor de goede werking van de overheid en de rechtstaat,
iii) de vraag of er bestaande samenwerkingsovereenkomsten tussen de Unie en een derde land zijn, en, voor opkomende markten en ontwikkelingslanden, het potentieel om investeringsprojecten in het kader van de Global Gateway op te zetten, onder meer om investeringen in strategische projecten aan te moedigen;
iv) voor opkomende markten en ontwikkelingslanden, de vraag of en hoe een partnerschap ter plaatse van toegevoegde waarde zou kunnen zijn, onder meer in de vorm van downstreamactiviteiten, en wederzijdse voordelen voor de Unie en het partnerland zou opleveren;
d) adviesverlening aan de Commissie over de wijze waarop ervoor kan worden gezorgd dat de in dit lid bedoelde strategische partnerschappen stroken met het beleid van de Unie ten aanzien van opkomende markten en ontwikkelingslanden.
2. De besprekingen binnen de raad kritieke grondstoffen op grond van lid 1 laten de prerogatieven van de Raad overeenkomstig de Verdragen onverlet.
3. De lidstaten:
a) stellen de Commissie in kennis van hun bilaterale samenwerking met relevante derde landen, wanneer het toepassingsgebied ervan de kritiekegrondstoffenwaardeketen omvat;
b) kunnen de Commissie ondersteunen bij de uitvoering van de in de strategische partnerschappen bepaalde samenwerkingsmaatregelen in de grondstoffenwaardeketen.
4. Eenmaal per jaar stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis van de inhoud en de uitkomst van de besprekingen binnen de raad kritieke grondstoffen op grond van lid 1.