Art. 25 Verordening (EU) 2024/900, Sancties
1. De lidstaten stellen regels vast inzake sancties of in voorkomend geval andere maatregelen die van toepassing zijn op opdrachtgevers of aanbieders van politieke reclamediensten wegens inbreuken op de artikelen 5 tot en met 17, en de artikelen 20 en 21, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat ze tijdig worden uitgevoerd.
De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Bij de vaststelling van de regels over sancties houden de lidstaten rekening met de regels inzake de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in andere media en met de regels of codes die gelden voor het beroep van journalist.
2. Het maximumbedrag van de financiële sancties die kunnen worden opgelegd, is gebaseerd op de economische draagkracht van de aan sancties onderworpen entiteit, te weten:
a) 6 % van de jaarlijkse inkomsten of begroting van de opdrachtgever of van de aanbieder van politieke reclamediensten, naargelang het geval en afhankelijk van welk bedrag het hoogst is; of
b) 6 % van de wereldwijde jaaromzet van de opdrachtgever of de aanbieder van politieke reclamediensten in het voorgaande boekjaar.
3. De lidstaten delen de Commissie deze regels en maatregelen uiterlijk op 10 januari 2026 mee en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen die erop van invloed zijn.
4. Bij het nemen van een besluit over het soort sanctie en de zwaarte ervan wordt in elk afzonderlijk geval naar behoren rekening gehouden met onder meer het volgende:
a) de aard, de ernst, de frequentie en de duur van de inbreuk;
b) het opzettelijke of nalatige karakter van de inbreuk;
c) de maatregelen die zijn genomen om schade te beperken;
d) eventuele relevante eerdere inbreuken en enige andere verzwarende of verzachtende omstandigheid die van toepassing is op de omstandigheden van de zaak;
e) de mate waarin medewerking aan de bevoegde autoriteit wordt verleend; en
f) de omvang en de economische draagkracht van de entiteit waarop de sancties van toepassing zijn, indien van toepassing.
5. Inbreuken op de artikelen 5, 7, 11, 12, 13, 15, 16 en 18 worden als bijzonder ernstig beschouwd wanneer zij betrekking hebben op politieke reclame die in de laatste maand voorafgaand aan verkiezingen of een referendum is gepubliceerd of verspreid en is gericht op burgers in de lidstaat waar de desbetreffende verkiezingen of het referendum worden/wordt gehouden. De lidstaten kunnen ook dwangsommen opleggen om opdrachtgevers, aanbieders van politieke reclamediensten en uitgevers van politieke reclame te verplichten een einde te maken aan een ernstige en herhaalde inbreuk op deze verordening.
6. Voor inbreuken op de in de artikelen 18 en 19 van deze verordening vastgelegde verplichtingen kunnen de in artikel 51 van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteiten binnen hun bevoegdheidssfeer geldboeten opleggen overeenkomstig artikel 83 van Verordening (EU) 2016/679, welke kunnen oplopen tot het in artikel 83, lid 5, van die verordening bedoelde bedrag.
7. Voor inbreuken op de in de artikelen 18 en 19 van deze verordening vastgelegde verplichtingen kan de in artikel 52 van Verordening (EU) 2018/1725 bedoelde Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming binnen zijn bevoegdheidssfeer geldboeten opleggen overeenkomstig artikel 66 van Verordening (EU) 2018/1725, welke kunnen oplopen tot het in artikel 66, lid 3, van die verordening bedoelde bedrag.
8. De lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de sancties die zijn opgelegd om de bepalingen van deze verordening te handhaven, met name over het soort sancties dat wordt toegepast en het bedrag van de geldboeten en financiële sancties. De Commissie houdt rekening met deze informatie wanneer zij het krachtens artikel 27 vereiste verslag opstelt.