Art. 23 Verordening (EU) 2024/900, Grensoverschrijdende samenwerking

Verordening (EU) 2024/900

1. De naleving van deze verordening door aanbieders van politieke reclamediensten en opdrachtgevers valt onder de bevoegdheid van de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd. Indien de aanbieder in meer dan één lidstaat is gevestigd, wordt hij geacht onder de jurisdictie te vallen van de lidstaat waar hij zijn hoofdvestiging heeft.

2. Onverminderd artikel 22, leden 1 en 2, en lid 1 van dit artikel, werken de bevoegde autoriteit of autoriteiten van alle lidstaten met elkaar samen en verlenen zij elkaar indien nodig bijstand.

3. Een bevoegde autoriteit verleent, na ontvangst van een met redenen omkleed verzoek van een andere bevoegde autoriteit, de andere bevoegde autoriteit onverwijld, maar niet later dan één maand na ontvangst van het verzoek bijstand, zodat de in artikel 22, lid 5, bedoelde toezichts- of handhavingsmaatregelen op een effectieve, efficiënte en consistente wijze kunnen worden uitgevoerd. Een bevoegde autoriteit verstrekt, na ontvangst van een met redenen omkleed verzoek om informatie van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat, via de in artikel 22, lid 5, bedoelde nationale contactpunten die bevoegde autoriteit onverwijld, maar niet later dan 14 dagen na ontvangst van het verzoek de benodigde informatie. Die termijn kan worden verlengd tot één maand in gevallen waarin aanvullende onderzoeken of informatie van meerdere bevoegde autoriteiten vereist zijn.

4. Wanneer een nationale bevoegde autoriteit van een lidstaat redenen heeft om aan te nemen dat deze verordening op diens grondgebied is overtreden, stelt zij de bevoegde autoriteit van de hoofdvestiging van de dienstverlener daarvan in kennis en verzoekt zij deze, in voorkomend geval, de zaak te beoordelen en de nodige onderzoeks- en handhavingsmaatregelen als bedoeld in lid 7 te nemen.

5. Een kennisgeving op grond van lid 4 wordt onderbouwd, naar behoren gemotiveerd, is evenredig en bevat ten minste de volgende vermeldingen:

a) de benodigde informatie om de opdrachtgever of de aanbieder van politieke reclamediensten te identificeren;

b) een beschrijving van de relevante feiten, de relevante bepalingen van deze verordening en de redenen waarom de bevoegde autoriteit die de kennisgeving heeft verzonden, een inbreuk op deze verordening vermoedt, met inbegrip van, in voorkomend geval, een beschrijving van de omstandigheden aan de hand waarvan de criteria van artikel 25, lid 4, kunnen worden beoordeeld;

c) informatie over de plaats waar de desbetreffende politieke reclameboodschap of een kopie daarvan kan worden opgevraagd;

d) alle overige informatie die de bevoegde autoriteit die de kennisgeving heeft verzonden relevant acht, in voorkomend geval ook op eigen initiatief verzamelde informatie.

6. Indien de ten aanzien van de hoofdvestiging bevoegde autoriteit niet over voldoende informatie beschikt om gevolg te geven aan een uit hoofde van lid 4 ontvangen kennisgeving, kan zij de bevoegde autoriteit die de kennisgeving heeft verzonden om aanvullende informatie verzoeken. Wanneer de bevoegde autoriteit een dergelijk verzoek ontvangt, verstrekt zij de gevraagde informatie onverwijld.

De in lid 7 vastgestelde termijn wordt geschorst totdat die aanvullende informatie is verstrekt.

7. De ten aanzien van de hoofdvestiging bevoegde autoriteit deelt onverwijld, maar uiterlijk één maand na ontvangst van de in lid 4 bedoelde kennisgeving of, indien van toepassing, van de in lid 6 bedoelde informatie, haar beoordeling van de vermoedelijke inbreuk en informatie over de onderzoeks- of handhavingsmaatregelen die zijn genomen of die zij voornemens is te nemen om de naleving van deze verordening te waarborgen, mee aan de bevoegde autoriteit die de kennisgeving heeft verzonden en aan het netwerk van contactpunten.

8. Indien het onderzoek naar een vermeende inbreuk betrekking heeft op de verlening van politieke reclamediensten in een of meer lidstaten waar de aanbieder van politieke reclamediensten niet zijn hoofdvestiging heeft, kan de ten aanzien van de hoofdvestiging bevoegde autoriteit een gezamenlijk onderzoek opstarten en leiden met deelname van de betrokken bevoegde autoriteit of autoriteiten van die lidstaten:

a) op eigen initiatief en na instemming van de aangezochte bevoegde autoriteit of autoriteiten; of

b) op verzoek van een andere bevoegde autoriteit of andere bevoegde autoriteiten, op grond van haar/hun redelijke vermoeden dat de politieke reclamediensten die zijn verricht door de in de lidstaat van de hoofdvestiging gevestigde aanbieder van politieke reclamediensten inbreuk heeft gemaakt op deze verordening of aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor personen op het grondgebied van de bevoegde autoriteit of autoriteiten die het verzoek heeft/hebben ingediend.

9. Voor de toepassing van lid 8 verstrekt de bevoegde autoriteit die om de instelling van een gezamenlijk onderzoek verzoekt, de andere bevoegde autoriteit of autoriteiten de in lid 5 bedoelde informatie. Indien een bevoegde autoriteit besluit niet aan een gezamenlijk onderzoek deel te nemen, verstrekt zij de andere bevoegde autoriteit of autoriteiten een met redenen omklede toelichting.

10. Bij de uitvoering van een gezamenlijk onderzoek werken de bevoegde autoriteiten in goed vertrouwen samen en oefenen zij hun onderzoeksbevoegdheden uit voor zover dat nodig is voor het onderzoek naar de vermeende inbreuk. De bevoegde autoriteiten die een gezamenlijk onderzoek uitvoeren, stellen elkaar in kennis van alle relevante handhavingsmaatregelen die zij initiëren of voornemens zijn te initiëren.

Vorige artikelen

Volgende artikelen