Art. 7 Richtlijn (EU) 2019/2034, Samenwerking binnen het Europees Systeem voor financieel toezicht
1. Bij het uitoefenen van hun taken houden de bevoegde autoriteiten rekening met de convergentie van toezichtsinstrumenten en toezichtspraktijken bij de toepassing van de uit hoofde van deze richtlijn en van Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde wettelijke bepalingen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat:
a) de bevoegde autoriteiten, als partijen bij het ESFS, met vertrouwen en het volste wederzijdse respect samenwerken, met name door te zorgen voor een uitwisseling van gepaste, betrouwbare en uitputtende informatie tussen hen en de andere partijen bij het ESFS;
b) de bevoegde autoriteiten deelnemen aan de activiteiten van EBA en, waar passend, aan de colleges van toezichthouders als bedoeld in artikel 48 van deze richtlijn en in artikel 116 van Richtlijn 2013/36/EU;
c) de bevoegde autoriteiten alles in het werk stellen opdat wordt voldaan aan de richtsnoeren en aanbevelingen die EBA overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 heeft uitgebracht, en opdat gehoor wordt gegeven aan de waarschuwingen en aanbevelingen die het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad (22) heeft uitgebracht;
d) de bevoegde autoriteiten nauw samenwerken met het ESRB;
e) de taken en bevoegdheden die aan de bevoegde autoriteiten worden toegekend niet de uitvoering van hun taken als lid van EBA of van het ESRB, of op grond van deze richtlijn en op grond van Verordening (EU) 2019/2033 doorkruisen.