Art. 36 Verordening (EU) 2018/1046, Interne controle op de begrotingsuitvoering

Verordening (EU) 2018/1046

1. Op grond van het beginsel van goed financieel beheer wordt de begroting uitgevoerd met de doeltreffende en efficiënte interne controle naargelang elke wijze van uitvoering, en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

2. Voor de uitvoering van de begroting is interne controle van toepassing op alle niveaus van het beheer en dient het redelijke zekerheid te verschaffen over de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a) doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de operaties;

b) betrouwbaarheid van de verslaglegging;

c) bescherming van activa en informatie;

d) preventie, opsporing, correctie en follow-up van fraude en onregelmatigheden;

e) adequate beheersing van de risico’s in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma’s en met de aard van de betrokken betalingen.

3. Een doeltreffende interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a) een scheiding van taken;

b) een adequate risicobeheersings- en controlestrategie, inclusief controles op het niveau van de ontvangers;

c) de vermijding van belangenconflicten;

d) adequate auditsporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;

e) procedures voor het monitoren van de doeltreffendheid en de efficiëntie;

f) procedures voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle, en uitzonderingen;

g) een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.

4. Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a) de uitvoering van een adequate, door de relevante bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;

b) de toegankelijkheid van de controleresultaten voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;

c) vertrouwen, waar passend, op beheersverklaringen van uitvoeringspartners en op onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het werd verricht overeenkomstig gevestigde normen;

d) de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;

e) duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het betreffende beleid, met inbegrip van basishandelingen betreffende de elementen van de interne controle;

f) het wegnemen van dubbele controles;

g) de verbetering van de kosten-batenverhouding van controles.

5. Indien het foutenpercentage bij de uitvoering aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen of stelt deze voor, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesystemen en bijsturing van het programma of uitvoeringssystemen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen