Art. 257 Verordening (EU) 2018/1046, Recht van toegang van de Rekenkamer
1. De instellingen van de Unie, de organen die ontvangsten of uitgaven namens de Unie beheren en de ontvangers verlenen de Rekenkamer alle faciliteiten en verstrekken haar alle informatie welke zij bij de vervulling van haar taak nodig meent te hebben. Zij houden op verzoek van de Rekenkamer alle documenten inzake gunning en uitvoering van overeenkomsten die uit de begroting worden gefinancierd, en alle geld- en goederenrekeningen, alle boekhoudbescheiden en bewijsstukken ter harer beschikking, alsmede de daarop betrekking hebbende administratieve documenten, alle documentatie betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie, alle inventarislijsten en alle organigrammen welke de Rekenkamer voor de controle, aan de hand van stukken of ter plaatse, van de jaarrekeningen en de verslagen over de begrotingsuitvoering nodig meent te hebben en, voor hetzelfde doel, alle elektronisch opgestelde of bewaarde documenten en gegevens. Indien dat relevant is voor de audit, omvat het recht van toegang van de Rekenkamer toegang tot het IT-systeem dat wordt gebruikt voor het beheer van de ontvangsten of uitgaven die het voorwerp van haar audit vormen.
De interne auditorganen en andere diensten van de betrokken nationale diensten verstrekken de Rekenkamer alle faciliteiten welke zij voor de vervulling van haar taak nodig meent te hebben.
2. De aan de controle van de Rekenkamer onderworpen personeelsleden zijn gehouden:
a) hun gegevens betreffende geldmiddelen die zich in kas bevinden, hun andere geldmiddelen, effecten en goederen van enigerlei aard te tonen, alsmede de bewijsstukken van hun beheer van middelen die hun zijn toevertrouwd, alsmede elk boek, register of ander document dat daarop betrekking heeft;
b) inzage te geven in de correspondentie en elk ander document dat noodzakelijk is voor de volledige uitvoering van de in artikel 255 bedoelde audit.
Alleen de Rekenkamer kan verzoeken om mededeling van de in de eerste alinea, onder b), bedoelde informatie.
3. De Rekenkamer is bevoegd de documenten betreffende de ontvangsten en uitgaven van de Unie te controleren die berusten bij de diensten van de instellingen van de Unie, met name bij de diensten die verantwoordelijk zijn voor de beslissingen omtrent deze ontvangsten en uitgaven, bij de organen die ontvangsten en uitgaven namens de Unie beheren en bij de natuurlijke personen aan wie of de rechtspersonen waaraan de overmakingen uit de begroting ten goede komen.
4. De controle van de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven en de controle van het goed financieel beheer strekken zich uit tot het gebruik van als bijdragen ontvangen middelen van de Unie door niet onder de instellingen van de Unie ressorterende organen.
5. Financieringen van de Unie waarvan de ontvangers niet onder de instellingen van de Unie ressorteren, worden slechts toegekend na schriftelijke instemming door deze ontvangers of, wanneer deze niet instemmen, de contractanten en subcontractanten, met de audit door de Rekenkamer van het gebruik van de toegekende middelen.
6. De Commissie verstrekt de Rekenkamer op diens verzoek alle informatie over de opgenomen en verstrekte leningen.
7. Het gebruik van geïntegreerde computersystemen heeft niet tot gevolg dat de toegang van de Rekenkamer tot bewijsstukken wordt beperkt. Wanneer het technisch mogelijk is, wordt aan de Rekenkamer in haar eigen gebouwen en overeenkomstig de toepasselijke veiligheidsvoorschriften elektronische toegang gegeven tot de voor de audit noodzakelijke gegevens en documenten.