Art. 255 Verordening (EU) 2018/1046, Regels en procedure voor de audit

Verordening (EU) 2018/1046

1. De controle door de Rekenkamer van de wettigheid en de regelmatigheid van de uitgaven en ontvangsten vindt plaats in het licht van de Verdragen, de begroting, deze verordening, de gedelegeerde handelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, en alle andere relevante ter uitvoering van de Verdragen vastgestelde handelingen. Bij die controle kan rekening worden gehouden met het meerjarige karakter van programma’s en de bijbehorende toezichts- en controlesystemen.

2. Bij de vervulling van haar taak kan de Rekenkamer onder de in artikel 257 vastgestelde voorwaarden kennis nemen van alle documenten en informatie betreffende het financieel beheer door diensten en organen met betrekking tot alle door de Unie gefinancierde of medegefinancierde maatregelen. Zij is bevoegd ieder personeelslid dat verantwoordelijkheid draagt voor uitgaven- of ontvangstenverrichtingen te horen en gebruik te maken van alle voor die diensten of organen geschikte auditprocedures. De audit in de lidstaten geschiedt in overleg met de nationale auditinstanties of, indien deze niet over de nodige bevoegdheden beschikken, in overleg met de bevoegde nationale diensten. De Rekenkamer en de nationale auditinstanties van de lidstaten werken samen in onderling vertrouwen, doch met behoud van hun onafhankelijkheid.

Teneinde alle gegevens te verzamelen die nodig zijn voor de vervulling van de taak die haar bij de Verdragen of bij de ter uitvoering daarvan vastgestelde handelingen is opgedragen, kan de Rekenkamer op haar verzoek aanwezig zijn bij de auditverrichtingen die in het kader van de uitvoering van de begroting door of voor rekening van een instelling van de Unie worden uitgevoerd.

Op verzoek van de Rekenkamer geeft elke instelling van de Unie de financiële instellingen die houder zijn van tegoeden van de Unie, toestemming om de Rekenkamer in staat te stellen na te gaan of de externe gegevens overeenstemmen met de boekhoudkundige situatie.

3. Ter vervulling van haar taak deelt de Rekenkamer aan de instellingen en autoriteiten van de Unie waarop deze verordening van toepassing is, de namen mede van de personeelsleden die bevoegd zijn bij hen audits te verrichten.

Vorige artikelen

Volgende artikelen