Art. 212 Verordening (EU) 2018/1046, Gemeenschappelijk voorzieningsfonds
1. De aangelegde voorzieningen om de financiële verplichtingen ten gevolge van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand te dekken, worden aangehouden in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds.
Uiterlijk op 30 juni 2019 dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad een onafhankelijke externe evaluatie in over de voor- en nadelen van het toevertrouwen van het financieel beheer van de activa van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan de Commissie, de EIB, of een combinatie van beide, rekening houdend met de relevante technische en institutionele criteria die worden gehanteerd bij het vergelijken van vermogensbeheersdiensten, met inbegrip van de technische infrastructuur, een vergelijking van de kosten voor de verleende diensten, de institutionele structuur, verslaglegging, prestaties, verantwoordingsplicht en deskundigheid van de Commissie en het EIB en de overige mandaten voor het beheren van activa voor de begroting. Zo nodig gaat de evaluatie vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
2. De totale winsten of verliezen uit de belegging van de in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aangehouden middelen worden evenredig toegewezen aan de respectieve financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand.
De financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds houdt een minimumbedrag aan middelen van het fonds in geldmiddelen of kasequivalenten aan overeenkomstig prudentiële regels en de betalingsprognoses die door de ordonnateurs van de financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand worden verstrekt.
De financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds kan retrocessieovereenkomsten sluiten, met de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds als zekerheid, om betalingen uit het fonds te doen, indien redelijkerwijs mag worden verwacht dat die procedure gunstiger is voor de begroting dan de afstoting van middelen binnen de termijn van het betalingsverzoek. De duur of de doorrolperiode van retrocessieovereenkomsten met betrekking tot een betaling is beperkt tot het strikte minimum om een verlies voor de begroting zo klein mogelijk te houden.
3. Overeenkomstig artikel 77, lid 1, eerste alinea, onder d), en artikel 86, leden 1 en 2, stelt de rekenplichtige procedures in die moeten worden toegepast voor de ontvangsten- en uitgavenverrichtingen en, in akkoord met de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, voor de activa en verplichtingen met betrekking tot het gemeenschappelijk voorzieningsfonds.
4. In de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie een overschrijving als bedoeld in artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder g), heeft verricht, stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hiervan onmiddellijk in kennis en stelt zij dringend de nodige maatregelen voor om de begrotingspost van de garantie waaruit de middelen werden overgeschreven, te herstellen, met volledige inachtneming van de plafonds waarin de verordening tot bepaling van het meerjarig financieel kader voorziet.