Art. 56 Verordening (EU) 2018/858, Bijkomende voorschriften voor voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor het correct functioneren van essentiële systemen

Verordening (EU) 2018/858

1. Een fabrikant van voertuigdelen of uitrustingsstukken kan een in artikel 55, lid 1, bedoelde vergunning aanvragen door bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in te dienen die vergezeld gaat van een door een technische dienst opgesteld testrapport en waarin wordt gecertificeerd dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor vergunning wordt gevraagd, voldoen aan de in artikel 55, lid 3, bedoelde voorschriften. Die fabrikant kan per type voertuigdeel of uitrustingsstuk slechts één aanvraag bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

2. In de vergunningsaanvraag worden gegevens vermeld over de fabrikant van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, alsmede de naam van de fabrikant van het voertuig, het voertuigtype en, in voorkomend geval, het bouwjaar en enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarop deze voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten worden aangebracht, kan worden geïdentificeerd.

Indien de goedkeuringsinstantie, met inachtneming van het in lid 1 van dit artikel bedoelde testrapport en andere informatie, constateert dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in artikel 55, lid 3, bedoelde voorschriften, verleent zij een vergunning voor het in de handel brengen en het in gebruik nemen van de betrokken voertuigdelen of uitrustingsstukken.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de fabrikant onverwijld een vergunningscertificaat.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin het model en het nummeringsysteem voor het in de derde alinea van dit lid bedoelde vergunningscertificaat worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 83, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3. De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft verleend, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Deze goedkeuringsinstantie besluit of de vergunning opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of aanvullende tests noodzakelijk zijn.

De fabrikant zorgt ervoor dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken nu en in de toekomst worden vervaardigd volgens de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend.

4. Alvorens een vergunning te verlenen, verifieert de goedkeuringsinstantie of er regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.

Indien de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer aan de voorwaarden voor het verlenen van de vergunning wordt voldaan, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderdelen of uitrustingsstukken conform worden gemaakt. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

5. Op verzoek van een nationale autoriteit van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft verleend, de eerstgenoemde autoriteit binnen een maand na ontvangst van dat verzoek via een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor elektronische gegevensuitwisseling een kopie toe van het afgegeven vergunningscertificaat, inclusief de bijlagen. De kopie mag ook de vorm van een beveiligd elektronisch bestand hebben.

6. Indien een goedkeuringsinstantie het niet eens is met de verlening van de vergunning door een andere lidstaat, stelt zij de Commissie in kennis van de redenen daarvoor. De Commissie neemt de passende maatregelen om een einde te maken aan het verschil in zienswijze. Zo kan de Commissie onder meer, waar nodig en na overleg met de betrokken goedkeuringsinstanties, uitvoeringshandelingen vaststellen die de intrekking van de vergunning verlangen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 83, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

7. Totdat de in artikel 55, lid 4, bedoelde lijst is opgesteld, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven ten aanzien van voertuigdelen of uitrustingsstukken die een nadelige invloed kunnen hebben op het correct functioneren van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig.