Art. 43 Verordening (EU) 2018/858, Geldigheid van nationale typegoedkeuringen van in kleine series geproduceerde voertuigen
1. Een nationale typegoedkeuring van in kleine series geproduceerde voertuigen is alleen geldig op het grondgebied van de lidstaat waarvan de goedkeuringsinstantie die typegoedkeuring heeft verleend.
2. Op verzoek van de fabrikant zendt de goedkeuringsinstantie aan de door de fabrikant gekozen goedkeuringsinstanties van de lidstaten een kopie van het nationale typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van de relevante delen van het informatiepakket als bedoeld in artikel 26, lid 4, via aangetekende of elektronische post.
3. De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de nationale typegoedkeuring, tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de nationale technische voorschriften volgens welke het voertuigtype is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan hun eigen technische voorschriften.
4. Binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 2 bedoelde documenten, delen de door de fabrikant gekozen goedkeuringsinstanties van de lidstaten hun beslissing om de typegoedkeuring al dan niet te aanvaarden, mee aan de goedkeuringsinstantie die de nationale typegoedkeuring heeft verleend. Indien binnen een termijn van twee maanden geen dergelijke beslissing is meegedeeld, wordt de nationale typegoedkeuring geacht te zijn aanvaard.
5. Op verzoek van een aanvrager die een voertuig met een nationale typegoedkeuring van in kleine series geproduceerde voertuigen in een andere lidstaat in de handel of het verkeer wenst te brengen of wenst te registreren, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de nationale typegoedkeuring van in kleine series geproduceerde voertuigen heeft verleend, aan de nationale autoriteit van de andere lidstaat een kopie van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van de relevante delen van het informatiepakket.
De typegoedkeuringsinstantie van de andere lidstaat staat het in de handel brengen, registreren of in gebruik nemen van een dergelijk voertuig toe, tenzij zij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat de technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan haar eigen technische voorschriften.