Art. 3 Verordening (EU) 2017/1485, Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 714/2009, artikel 2 van Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie (6), artikel 2 van Verordening (EU) 2016/631, artikel 2 van Verordening (EU) 2016/1388, artikel 2 van Verordening (EU) 2016/1447, artikel 2 van Verordening (EU) 2016/1719 van de Commissie (7), artikel 2 van Verordening (EU) nr. 543/2013 van de Commissie (8) betreffende de toezending en publicatie van gegevens inzake de elektriciteitsmarkten en artikel 2 van Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (9).
2. Bovendien wordt verstaan onder:
1. „operationele veiligheid”: geschiktheid van het transmissiesysteem om in de normale toestand te blijven functioneren of zo snel mogelijk weer in de normale toestand terug te keren, welke geschiktheid wordt gekenmerkt door operationeleveiligheidsgrenzen;
2. „beperking”: situatie waarin een remediërende maatregel moet worden opgesteld en uitgevoerd om binnen de operationeleveiligheidsgrenzen te kunnen blijven;
3. „N-situatie”: situatie waarin geen enkel element van het transmissiesysteem niet beschikbaar is vanwege een uitvalsituatie;
4. „lijst van uitvalsituaties”: lijst van te simuleren uitvalsituaties voor het testen van de naleving van de operationeleveiligheidsgrenzen;
5. „normale toestand”: situatie waarin het systeem binnen de operationeleveiligheidsgrenzen in de N-situatie functioneert en nadat zich een uitvalsituatie uit de lijst van uitvalsituaties heeft voorgedaan, met inachtneming van het effect van de beschikbare remediërende maatregelen;
6. „frequentiebegrenzingsreserves” of „FCR” (frequency containment reserves): werkzaamvermogensreserves die beschikbaar zijn voor begrenzing van de systeemfrequentie nadat zich een onbalans heeft voorgedaan;
7. „frequentieherstelreserves” of „FRR” (frequency restoration reserves): werkzaamvermogensreserves die beschikbaar zijn om de nominale systeemfrequentie te herstellen en om, voor een synchrone zone die uit meer dan één LFC-zone bestaat, de geplande waarde voor de vermogensbalans te herstellen;
8. „vervangingsreserves” of „RR” (replacement reserves): werkzaamvermogensreserves die beschikbaar zijn om het vereiste niveau van de FRR te herstellen of te ondersteunen dat nodig is voor aanvullende systeemonbalansen, met inbegrip van productiereserves;
9. „reserveleverende dienstverlener”: rechtspersoon met een wettelijke of contractuele verplichting om FCR, FRR of RR te leveren uit ten minste één reserveleverende eenheid of reserveleverende groep;
10. „reserveleverende eenheid”: op een gemeenschappelijk aansluitpunt aangesloten enkelvoudige elektriciteitsproductie-eenheid of samengestelde groep van elektriciteitsproductie-eenheden en/of verbruikerseenheden die voorziet in de vereiste levering van FCR, FRR of RR;
11. „reserveleverende groep”: een op meerdere aansluitpunten aangesloten groep van elektriciteitsproductie-eenheden, verbruikseenheden en/of reserveleverende eenheden die voorziet in de vereiste levering van FCR, FRR of RR;
12. „belasting-frequentieregelzone” of „LFC-zone” (load frequency control area): deel van een synchrone zone of een complete synchrone zone die fysiek is afgebakend door middel van meetpunten bij interconnectoren naar andere LFC-zones en wordt beheerd door één of meer TSB's, en die de verplichtingen van belasting-frequentieregeling vervult;
13. „frequentiehersteltijd”: maximale verwachte tijd nadat zich een momentane vermogensonbalans heeft voorgedaan (die kleiner is dan of gelijk aan de referentie-uitvalsituatie) waarbinnen de systeemfrequentie wordt hersteld tot het frequentieherstelbereik voor synchrone zones met slechts één LFC-zone en, voor synchrone zones met meerdere LFC-zones, de maximale verwachte tijd nadat zich een momentane vermogensonbalans heeft voorgedaan van een LFC-zone waarbinnen de onbalans wordt gecompenseerd;
14. „N-1-criterium”: regel volgens welke de elementen die binnen de regelzone van een TSB blijven functioneren nadat zich een uitvalsituatie heeft voorgedaan, de nieuwe operationele situatie moeten kunnen opvangen zonder de operationeleveiligheidsgrenzen te overschrijden;
15. „N-1-situatie”: situatie in het transmissiesysteem waarin zich één uitvalsituatie uit de lijst van uitvalsituaties heeft voorgedaan;
16. „werkzaamvermogensreserve”: voor handhaving van de frequentie beschikbare balanceringsreserve;
17. „alarmtoestand”: toestand van het systeem wanneer het zich binnen de operationeleveiligheidsgrenzen bevindt, maar een uitvalsituatie uit de lijst van uitvalsituaties is waargenomen waarbij, mocht die zich daadwerkelijk voordoen, de beschikbare remediërende maatregelen niet toereikend zijn om de normale toestand te handhaven;
18. „belasting-frequentieregelblok” of „LFC-blok” (load frequency control block): deel van een synchrone zone of een complete synchrone zone die fysiek is afgebakend door middel van meetpunten bij interconnectoren naar andere LFC-blokken, bestaande uit één of meer LFC-zones, beheerd door één of meer TSB's, die de verplichtingen van belasting-frequentieregeling vervullen;
19. „zonale regelfout” of „ACE” (area control error): som van de vermogensregelfout („ΔP”), ofwel het realtimeverschil tussen de gemeten feitelijke realtimewaarde van de vermogensuitwisseling („P”) en het regelprogramma („P0”) van een specifieke LFC-zone of specifiek LFC-blok en de frequentieregelfout („K*Δf”), ofwel het product van de K-factor en de frequentieafwijking van die specifieke LFC-zone of dat specifieke LFC-blok, waarbij de zonale regelfout gelijk is aan ΔP+K*Δf;
20. „regelprogramma”: reeks richtwaarden voor de verrekende vermogensuitwisseling van een LFC-zone of een LFC-blok via wisselstroominterconnectoren;
21. „spanningsregeling”: manuele of geautomatiseerde regelacties op het productieknooppunt, op de eindknooppunten van de AC-lijnen of HVDC-systemen, op transformatoren of andere apparatuur die zijn bedoeld om de ingestelde spanning of de ingestelde waarde van het blindvermogen te handhaven;
22. „black-outtoestand”: toestand van het systeem wanneer het gehele transmissiesysteem of een deel daarvan niet meer werkt;
23. „interne uitvalsituatie”: uitvalsituatie binnen de regelzone van de TSB, met inbegrip van interconnectoren;
24. „externe uitvalsituatie”: uitvalsituatie buiten de regelzone van de TSB, uitgezonderd interconnectoren, waarbij de invloedsfactor groter is dan de invloedsdrempelwaarde voor uitvalsituaties;
25. „invloedsfactor”: numerieke waarde ter kwantificering van het grootste effect van een niet-beschikbaarheid van een element van een transmissiesysteem dat zich buiten de regelzone van een TSB bevindt, uitgezonderd interconnectoren, en dat zich uit in de vorm van een wijziging in de elektriciteitsstromen of spanning als gevolg van die niet-beschikbaarheid, op om het even welk element van het transmissiesysteem. Hoe hoger deze waarde, hoe groter het effect;
26. „invloedsdrempelwaarde voor uitvalsituaties”: numerieke grenswaarde waarop de invloedsfactoren worden gecontroleerd; een uitvalsituatie buiten de regelzone van de TSB met een invloedsfactor die de invloedsdrempelwaarde voor uitvalsituaties overschrijdt, wordt geacht een significant effect te hebben op de regelzone van de TSB, met inbegrip van interconnectoren;
27. „analyse van uitvalsituaties”: een computersimulatie van uitvalsituaties uit de lijst van uitvalsituaties;
28. „kritische kortsluittijd”: maximale duur van een fout waarbinnen de stabiele werking van het transmissiesysteem gehandhaafd blijft;
29. „fout”: alle soorten kortsluitingen (een-, twee- en driefasig, met en zonder aarde), een defecte geleider, een onderbroken circuit of een intermitterende verbinding resulterend in de permanente niet-beschikbaarheid van het aangetaste element van het transmissiesysteem;
30. „element van het transmissiesysteem”: om het even welk element van het transmissiesysteem;
31. „storing”: niet-geplande gebeurtenis als gevolg waarvan het systeem van de normale toestand kan afwijken;
32. „dynamische stabiliteit”: algemene term die de rotorhoekstabiliteit, de frequentiestabiliteit en de spanningsstabiliteit omvat;
33. „beoordeling van de dynamische stabiliteit”: beoordeling van de operationele veiligheid met betrekking tot de dynamische stabiliteit;
34. „frequentiestabiliteit”: geschiktheid van het transmissiesysteem om een stabiele frequentie te handhaven in de N-situatie en na een storing te hebben ondergaan;
35. „spanningsstabiliteit”: geschiktheid van het transmissiesysteem om op alle knooppunten in het systeem een aanvaardbaar spanningsniveau te handhaven in de N-situatie en na een storing te hebben ondergaan;
36. „systeemtoestand”: operationele toestand van het transmissiesysteem ten aanzien van de operationeleveiligheidsgrenzen. Een transmissiesysteem kan zich bevinden in de normale toestand, de alarmtoestand, de noodtoestand, de black-outtoestand en de hersteltoestand;
37. „noodtoestand”: systeemtoestand waarin één of meer operationeleveiligheidsgrenzen worden geschonden;
38. „hersteltoestand”: systeemtoestand waarin alle activiteiten in het transmissiesysteem erop zijn gericht het systeem weer te laten functioneren en de operationele veiligheid te handhaven nadat zich een black-outtoestand of noodtoestand heeft voorgedaan;
39. „uitzonderlijke uitvalsituatie”: gelijktijdig optreden van meerdere uitvalsituaties met een gemeenschappelijke oorzaak;
40. „frequentieafwijking”: negatief of positief verschil tussen de feitelijke en nominale frequentie van de synchrone zone;
41. „systeemfrequentie”: elektrische frequentie van het systeem, te meten in alle delen van de synchrone zone uitgaande van een constante waarde voor het systeem in een tijdsbestek van seconden, met slechts geringe verschillen tussen verschillende meetlocaties;
42. „frequentieherstelproces” of „FRP” (frequency recovery process): proces dat is gericht op herstel van de nominale frequentie en, voor synchrone zones die uit meer dan één LFC-zone bestaan, dat is gericht op herstel van de geplande waarde voor de vermogensbalans;
43. „frequentieherstelregelfout” of „FRCE” (frequency restoration control error): regelfout voor het FRP, die gelijk is aan de ACE van een LFC-zone of aan de frequentieafwijking wanneer de LFC-zone geografisch samenvalt met de synchrone zone;
44. „programma”: referentiereeks van waarden die de productie, het verbruik of de uitwisseling van elektriciteit gedurende een bepaalde periode weergeven;
45. „K-factor van een LFC-zone of LFC-blok”: waarde, uitgedrukt in megawatt per hertz („MW/Hz”), die de som van de zelfcontrole van de productie, zelfregulering van belasting en de bijdrage van de frequentiebegrenzingsreserve ten opzichte van de maximale frequentieafwijking in stationaire toestand zo dicht als praktisch mogelijk is, benadert dan wel overschrijdt;
46. „lokale toestand”: kwalificatie van een alarmtoestand, noodtoestand of black-outtoestand wanneer er geen risico bestaat dat de gevolgen zich buiten de regelzone verspreiden, met inbegrip van de met die regelzone verbonden interconnectoren;
47. „maximale frequentieafwijking in stationaire toestand”: maximaal verwachte frequentieafwijking nadat zich een onbalans heeft voorgedaan die gelijk is aan of kleiner is dan de referentie-uitvalsituatie waarbij de systeemfrequentie volgens ontwerp stabiel blijft;
48. „observatiezone”: eigen transmissiesysteem van een TSB en de desbetreffende delen van distributiesystemen en de transmissiesystemen van buur-TSB's, waarop de TSB realtimetoezicht en modellering uitoefent om de operationele veiligheid binnen zijn regelzone inclusief interconnectoren te handhaven;
49. „buur-TSB's”: TSB's die via ten minste één wisselstroom- of gelijkstroominterconnector rechtstreeks met elkaar zijn verbonden;
50. „operationeleveiligheidsanalyse”: het hele scala van computeractiviteiten en manuele of geautomatiseerde activiteiten die worden verricht om de operationele veiligheid van het transmissiesysteem te beoordelen en vast te stellen welke remediërende maatregelen nodig zijn om de operationele veiligheid te handhaven;
51. „indicatoren voor de operationele veiligheid”: indicatoren die door TSB's worden gebruikt voor het toezicht op de operationele veiligheid ten aanzien van de systeemtoestand alsmede van fouten en storingen die gevolgen hebben voor de operationele veiligheid;
52. „ranglijst voor de operationele veiligheid”: ranglijst die TSB's gebruiken voor het toezicht op de operationele veiligheid op basis van de indicatoren voor de operationele veiligheid;
53. „operationele tests”: tests die door een TSB of DSB worden verricht ten behoeve van het onderhoud en de ontwikkeling van werkwijzen voor en training in systeembeheer, en om informatie te verkrijgen betreffende het gedrag van transmissiesystemen onder abnormale systeemomstandigheden, alsmede de tests die door significante netgebruikers met een vergelijkbaar oogmerk op hun installaties worden uitgevoerd;
54. „normale uitvalsituatie”: uitvalsituatie die zich binnen een enkele tak of injectie voordoet;
55. „uitvalsituatie buiten categorie”: gelijktijdig optreden van meerdere uitvalsituaties zonder een gemeenschappelijke oorzaak, of een verlies van elektriciteitsproductie-eenheden met een totaal verlies van productiecapaciteit dat de referentie-uitvalsituatie overschrijdt;
56. „op- en afregelsnelheid” of „ramping rate”: veranderingssnelheid van werkzaam vermogen van een elektriciteitsproductie-eenheid, verbruikersinstallatie of HVDC-systeem;
57. „blindvermogensreserve”: het voor handhaving van de spanning beschikbare blindvermogen;
58. „referentie-uitvalsituatie”: maximale positieve of negatieve vermogensafwijking die zich op een bepaald moment voordoet tussen productie en verbruik in een synchrone zone, vanuit het perspectief van de FCR-dimensionering;
59. „rotorhoekstabiliteit”: geschiktheid van synchrone apparatuur om in een N-situatie en na een storing synchroon te blijven werken;
60. „veiligheidsplan”: plan dat een risicobeoordeling omvat van kritische assets van TSB's ten opzichte van belangrijke fysieke risico's en cyberrisico's, met een beoordeling van de potentiële gevolgen;
61. „stabiliteitsgrenzen”: toegestane grenzen waarbinnen het transmissiesysteem moet opereren ten aanzien van spanningsstabiliteit, rotorhoekstabiliteit en frequentiestabiliteit;
62. „gebiedsoverschrijdende toestand”: kwalificatie van een alarmtoestand, noodtoestand of black-outtoestand waarbij het risico bestaat van verspreiding naar de geïnterconnecteerde transmissiesystemen;
63. „systeembeschermingsplan”: technische en organisatorische maatregelen die genomen moeten worden om verspreiding of verergering van een storing in het transmissiesysteem tegen te gaan en aldus een gebiedsoverschrijdende toestand of black-outtoestand te voorkomen;
64. „topologie”: gegevens betreffende de connectiviteit van de verschillende elementen van het transmissie- of distributiesysteem in een onderstation; omvat de elektrische configuratie en de positie van stroomonderbrekers en isolatoren;
65. „kortstondig toelaatbare overbelastingen”: tijdelijke overbelastingen van transmissiesysteemelementen die gedurende korte tijd toelaatbaar zijn en geen fysieke schade toebrengen aan de transmissiesysteemelementen zolang de vastgestelde duur en drempelwaarden niet overschreden worden;
66. „virtuele grensverbinding”: aanvullende input van de regelingen van de betrokken LFC-zones die hetzelfde effect heeft als een meetwaarde van een fysieke interconnector en die de uitwisseling van elektrische energie tussen de desbetreffende zones mogelijk maakt;
67. „flexibele wisselstroomtransmissiesystemen” of „FACTS” (flexible alternating current transmission systems): apparatuur voor de wisselstroomtransmissie van elektrische energie, gericht op verbeterde beheersbaarheid en verhoogde overdracht van werkzaam vermogen;
68. „bevoorradingszekerheid”: geschiktheid van toevoer naar een zone om aan de belasting in die zone te voldoen;
69. „geaggregeerd verrekend extern programma”: programma voor de verrekende samenvoeging van alle externe TSB-programma's en externe commerciële handelsprogramma's tussen twee programmeringszones of tussen een programmeringszone en een groep andere programmeringszones;
70. „beschikbaarheidsplan”: combinatie van alle geplande beschikbaarheidsstatussen van een relevante asset gedurende een bepaalde periode;
71. „beschikbaarheidsstatus”: geschiktheid van een elektriciteitsproductie-eenheid, netelement of verbruikersinstallatie om gedurende een bepaalde periode een dienst te leveren, ongeacht of de elektriciteitsproductie-eenheid, het netelement of de verbruikersinstallatie in bedrijf is;
72. „bijna-realtime”: het tijdsverloop van maximaal 15 minuten tussen de laatste gate-sluitingstijd van de intradaymarkt en de actuele tijd;
73. „verbruiksprogramma”: programma voor het verbruik van een verbruikersinstallatie of een groep verbruikersinstallaties;
74. „ENTSO-E — OPDE” (ENTSO for Electricity operational planning data environment): reeks applicatieprogramma's en apparatuur ontwikkeld voor opslag, uitwisseling en beheer van gegevens die worden gebruikt voor de operationele planning tussen TSB's;
75. „extern commercieel handelsprogramma”: programma met betrekking tot de commerciële uitwisseling van elektriciteit tussen marktdeelnemers in verschillende programmeringszones;
76. „extern TSB-programma”: programma voor de uitwisseling van elektriciteit tussen TSB's in verschillende programmeringszones;
77. „gedwongen niet-beschikbaarheid”: niet-geplande buitenbedrijfstelling van een relevante asset vanwege een urgente reden die buiten de operationele invloedssfeer valt van de beheerder van die asset;
78. „productieprogramma”: programma voor de elektriciteitsproductie van een elektriciteitsproductie-eenheid of een groep elektriciteitsproductie-eenheden;
79. „intern commercieel handelsprogramma”: programma voor de commerciële uitwisseling van elektriciteit tussen verschillende marktdeelnemers binnen een programmeringszone;
80. „interne relevante asset”: relevante asset die deel uitmaakt van de regelzone van een TSB of relevante asset die zich in het distributiesysteem bevindt, met inbegrip van een gesloten distributiesysteem, en die rechtstreeks of onrechtstreeks is verbonden met de regelzone van die TSB;
81. „netto-AC-zonaalpositie”: vereffende aggregatie van alle externe wisselstroomprogramma's van een zone;
82. „coördinatieregio voor niet-beschikbaarheden”: combinatie van regelzones waarvoor TSB's procedures opstellen voor het monitoren en zo nodig coördineren van de beschikbaarheidsstatus van relevante assets in alle tijdsbestekken;
83. „relevante verbruikersinstallatie”: verbruikersinstallatie die deelneemt aan de coördinatie voor niet-beschikbaarheden en waarvan de beschikbaarheidsstatus invloed heeft op de grensoverschrijdende operationele veiligheid;
84. „relevante asset”: elke relevante verbruikersinstallatie, elke relevante elektriciteitsproductie-eenheid of elk relevant netelement dat deelneemt aan de coördinatie van niet-beschikbaarheden;
85. „relevant netelement”: elk onderdeel van een transmissiesysteem (met inbegrip van interconnectoren) of van een distributiesysteem (met inbegrip van een gesloten distributiesysteem), zoals een afzonderlijke lijn, een afzonderlijke verbinding, een afzonderlijke transformator, een afzonderlijke faseverschuivende transformator of een spanningscompensatie-installatie, die of dat deelneemt aan de coördinatie van niet-beschikbaarheden en waarvan de beschikbaarheidsstatus invloed heeft op de grensoverschrijdende operationele veiligheid;
86. „onverenigbaarheid van de niet-beschikbaarheidsplanning”: toestand waarin een combinatie van de beschikbaarheidsstatus van één of meer relevante netelementen, relevante elektriciteitsproductie-eenheden en/of relevante verbruikersinstallaties en de beste raming van de voorspelde situatie van het elektriciteitsnet leidt tot schending van de operationeleveiligheidsgrenzen, met inachtneming van remediërende maatregelen waarover de TSB beschikt;
87. „verantwoordelijke voor de niet-beschikbaarheidsplanning”: entiteit belast met de planning van de beschikbaarheidsstatus van een relevante elektriciteitsproductie-eenheid, een relevante verbruikersinstallatie of een relevant netelement;
88. „relevante elektriciteitsproductie-eenheid”: elektriciteitsproductie-eenheid die deelneemt aan de coördinatie voor niet-beschikbaarheden en waarvan de beschikbaarheidsstatus invloed heeft op de grensoverschrijdende operationele veiligheid;
89. „regionale veiligheidscoördinator” of „RVC”: entiteit of entiteiten in één of meer capaciteitsberekeningsregio's die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van TSB's en die taken verrichten in verband met de regionale coördinatie van TSB's;
90. „programma-agent” of „scheduling agent”: entiteit of entiteiten die als taak hebben TSB's of, indien van toepassing, derden te voorzien van programma's van marktdeelnemers;
91. „programmeringszone”: zone waarin de programmeringsverplichtingen van de TSB's van toepassing zijn als gevolg van operationele of organisatorische behoeften;
92. „week ahead”: de week voorafgaande aan de operationele kalenderweek;
93. „year ahead”: het jaar voorafgaande aan het operationele kalenderjaar;
94. „beïnvloede TSB”: TSB waarvoor informatie is vereist over de uitwisseling van reserves en/of het delen van reserves en/of het onbalansnettingproces en/of het activeringsproces voor grensoverschrijdende reserves, ten behoeve van de analyse en handhaving van de operationele veiligheid;
95. „reservecapaciteit”: omvang van de FCR, FRR of RR die voor de TSB beschikbaar moet zijn;
96. „uitwisseling van reserves”: mogelijkheid voor een TSB om toegang te krijgen tot de aan een andere LFC-zone, een ander LFC-blok of een andere synchrone zone verbonden reservecapaciteit teneinde te voorzien in zijn reservebehoeften voortvloeiende uit zijn eigen reservedimensioneringsproces voor FCR, FRR of RR en waarbij die reservecapaciteit uitsluitend voor die TSB is bedoeld en niet door enige andere TSB in aanmerking wordt genomen om te voorzien in de uit diens respectieve reservedimensioneringsproces voortvloeiende reservebehoeften;
97. „delen van reserves”: mechanisme waarin meerdere TSB's dezelfde reservecapaciteit (FCR, FRR of RR) in aanmerking nemen om te voorzien in hun respectieve, uit hun reservedimensioneringsproces voortvloeiende reservebehoeften;
98. „aankondigingstijd van de alarmtoestand” of „alert state trigger time”: tijd voordat de alarmtoestand wordt geactiveerd;
99. „automatische FRR”: FRR die door middel van een geautomatiseerd regelsysteem geactiveerd kan worden;
100. „automatische FRR-activeringsvertraging”: tijd die verstrijkt tussen het instellen, door de voor frequentieherstel verantwoordelijke, van een nieuwe richtwaarde en de start van de fysieke automatische levering van FRR;
101. „automatische FRR-activeringstijd”: tijd die verstrijkt tussen het instellen, door de voor frequentieherstel verantwoordelijke, van een nieuwe richtwaarde en de corresponderende activering of deactivering van de automatische FRR;
102. „gemiddelde FRCE-data”: gegevensset bestaande uit de gemiddelde waarde van de vastgelegde momentane FRCE van een LFC-zone of een LFC-blok binnen een bepaald gemeten tijdvak;
103. „regelcapaciteitleverende TSB”: TSB die de activering van zijn reservecapaciteit op gang brengt ten behoeve van een regelcapaciteitontvangende TSB onder de voorwaarden van een overeenkomst voor het delen van diensten;
104. „regelcapaciteitontvangende TSB”: TSB die de reservecapaciteit berekent door de reservecapaciteit in aanmerking te nemen die beschikbaar is via een regelcapaciteitleverende TSB onder de voorwaarden voor het delen van diensten;
105. „proces voor criteriatoepassing”: proces voor het berekenen van de doelparameters voor de synchrone zone, het LFC-blok en de LFC-zone op basis van de gegevens die zijn verkregen uit het proces voor het gegevensverzameling en -levering;
106. „proces voor gegevensverzameling en -levering”: proces voor het verzamelen van de gegevensset die nodig is voor het toepassen van de frequentiekwaliteitsevaluatiecriteria;
107. „activeringsproces voor grensoverschrijdende FRR”: proces dat is overeengekomen tussen de aan dat proces deelnemende TSB's dat activering van in een andere LFC-zone geconnecteerde FRR mogelijk maakt door de input van de betrokken FRP's dienovereenkomstig te corrigeren;
108. „activeringsproces voor grensoverschrijdende RR”: proces dat is overeengekomen tussen de aan dat proces deelnemende TSB's dat activering van in een andere LFC-zone geconnecteerde RR mogelijk maakt door de input van de betrokken RRP's dienovereenkomstig te corrigeren;
109. „dimensionerende uitvalsituatie”: hoogste verwachte momentane onbalans van werkzaam vermogen binnen een LFC-blok in zowel positieve als negatieve richting;
110. „tijdsafwijking van het elektriciteitssysteem”: verschil tussen de synchrone tijd en de gecoördineerde wereldtijd („UTC”);
111. „frequentieafwijking voor volledige FCR-activering”: nominale waarde van de frequentieafwijking waarbij de FCR in een synchrone zone volledig wordt geactiveerd;
112. „tijd voor volledige FRR-activering”: tijd die verstrijkt tussen het moment waarop de referentie-uitvalsituatie optreedt en de corresponderende volledige activering van de FRR;
113. „FCR-verplichting”: deel van de gehele FCR dat onder de verantwoordelijkheid van een TSB valt;
114. „frequentiestabiliseringsproces” of „FCP” (frequency containment process): proces dat is gericht op stabilisering van de systeemfrequentie door onbalansen door middel van passende reserves te compenseren;
115. „frequentiekoppelingsproces”: proces dat door alle TSB's van twee synchrone zones is overeengekomen en dat het mogelijk maakt de activering van FCR te koppelen via aanpassing van de HVDC-stromen tussen die synchrone zones;
116. „frequentiekwaliteitsdefiniërende parameter”: voornaamste systeemfrequentievariabelen op basis waarvan de frequentiekwaliteit wordt bepaald;
117. „frequentiekwaliteitsdoelparameter”: voornaamste streefdoel voor systeemfrequentie aan de hand waarvan het verloop van de activeringsprocessen voor FCR, FRR en RR in de normale toestand wordt geëvalueerd;
118. „frequentiekwaliteitsevaluatiecriteria”: reeks berekeningen op basis van systeemfrequentiemetingen die het mogelijk maakt de systeemfrequentiekwaliteit te beoordelen aan de hand van de frequentiekwaliteitsdoelparameters;
119. „frequentiekwaliteitsevaluatiegegevens”: gegevensset die het mogelijk maakt de frequentiekwaliteitsevaluatiecriteria te berekenen;
120. „frequentieterugkeerbereik”: systeemfrequentiebereik waarnaar de systeemfrequentie, binnen de frequentiehersteltijd, moet terugkeren in de synchrone zones GB en IE/NI nadat zich een onbalans heeft voorgedaan die kleiner is dan of gelijk is aan de referentie-uitvalsituatie;
121. „frequentiehersteltijd”: voor de synchrone zones GB en IE/NI, de maximale verwachte tijd waarbinnen de systeemfrequentie, na een onbalans die kleiner is dan of gelijk is aan de referentie-uitvalsituatie, terugkeert naar de maximale frequentieafwijking in stationaire toestand;
122. „frequentieherstelbereik”: het systeemfrequentiebereik waarnaar de systeemfrequentie, binnen de frequentiehersteltijd, moet terugkeren in de synchrone zones GB, IE/NI en noordelijk Europa nadat zich een onbalans heeft voorgedaan die kleiner is dan of gelijk is aan de referentie-uitvalsituatie;
123. „FRCE-doelparameters”: voornaamste doel-LFC-blokvariabelen op basis waarvan de dimensioneringscriteria voor FRR en RR van het LFC-blok worden bepaald en geëvalueerd en die worden gebruikt om het gedrag van het LFC-blok in normaal bedrijf weer te geven;
124. „frequentieherstelvermogensuitwisseling”: vermogen dat wordt uitgewisseld tussen LFC-zones binnen het activeringsproces voor grensoverschrijdende FRR;
125. „frequentierichtwaarde”: in de FRP gebruikte frequentiedoelwaarde, zijnde de som van de nominale systeemfrequentie en een vereffeningswaarde die nodig is om een tijdsafwijking van het elektriciteitssysteem te verminderen;
126. „eisen voor FRR-beschikbaarheid”: reeks eisen, opgesteld door de TSB's van een LFC-blok, met betrekking tot de beschikbaarheid van FRR;
127. „FRR-dimensioneringsregels”: specificaties van het FRR-dimensioneringsproces van een LFC-blok;
128. „onbalansnettingproces”: tussen TSB's overeengekomen proces waarmee de gelijktijdige activering van FRR in tegenovergestelde richting kan worden vermeden, rekening houdend met de respectieve FRCE's en met de geactiveerde FRR, en door de input van de betrokken FRP's overeenkomstig te corrigeren;
129. „onbalansnettingvermogensuitwisseling”: vermogen dat wordt uitgewisseld tussen LFC-zones binnen het onbalansnettingproces;
130. „initiële FCR-verplichting”: omvang van FCR die aan een TSB is toegewezen op basis van een verdeelsleutel;
131. „momentane frequentiedata”: reeks datametingen van de algehele systeemfrequentie voor de synchrone zone gedurende een meetperiode van één seconde of minder, gebruikt ter beoordeling van de systeemfrequentiekwaliteit;
132. „momentane frequentieafwijking”: reeks datametingen van de algehele systeemfrequentieafwijkingen voor de synchrone zone gedurende een meetperiode van één seconde of minder, gebruikt ter beoordeling van de systeemfrequentiekwaliteit;
133. „momentane FRCE-data”: reeks gegevens voor de FRCE van een LFC-blok gedurende een meetperiode van tien seconden of minder, gebruikt ter beoordeling van de systeemfrequentiekwaliteit;
134. „FRCE-bereik van het eerste niveau”: het eerste van de bereiken die worden gebruikt ter beoordeling van de systeemfrequentiekwaliteit op het niveau van een LFC-blok dat de FRCE gedurende een vastgesteld percentage van de tijd niet mag overschrijden;
135. „FRCE-bereik van het tweede niveau”: het tweede van de bereiken die worden gebruikt ter beoordeling van de systeemfrequentiekwaliteit op het niveau van een LFC-blok dat de FRCE gedurende een vastgesteld percentage van de tijd niet mag overschrijden;
136. „operationele overeenkomst van een LFC-blok”: meerpartijenovereenkomst tussen alle TSB's op een LFC-blok indien dat LFC-blok wordt beheerd door meerdere TSB's, en een operationele methodologie van een LFC-blok die eenzijdig door de desbetreffende TSB wordt toegepast indien het LFC-blok door slechts één TSB wordt beheerd;
137. „vervangingsvermogenuitwisseling”: het vermogen dat wordt uitgewisseld tussen LFC-zones binnen het activeringsproces voor grensoverschrijdende RR;
138. „onbalansen van een LFC-blok”: de som van de FRCE, FRR-activering en RR-activering binnen het LFC-blok en de onbalansnettingvermogensuitwisseling, de frequentieherstelvermogensuitwisseling en de vervangingsvermogensuitwisseling van dat LFC-blok met andere LFC-blokken;
139. „monitoringverantwoordelijke voor een LFC-blok”: TSB die verantwoordelijk is voor het verzamelen van gegevens voor de frequentiekwaliteitsevaluatiecriteria en voor het toepassen van die criteria ten aanzien van het LFC-blok;
140. „belasting-frequentieregelstructuur”: basisstructuur met inachtneming van alle relevante aspecten van belasting-frequentieregeling, met name de respectieve verantwoordelijkheden en verplichtingen alsmede de soorten en doelen van de werkzaamvermogensreserve;
141. „procesverantwoordelijkheidsstructuur”: structuur voor het vaststellen van verantwoordelijkheden en verplichtingen met betrekking tot reserves werkzaam vermogen, gebaseerd op de beheersstructuur van de synchrone zone;
142. „procesactiveringsstructuur”: structuur voor het categoriseren, naar doel en activering, van de processen op basis van de verschillende soorten werkzaamvermogensreserve;
143. „volledige activeringstijd voor de manuele FRR”: tijd die verstrijkt tussen het instellen, door de voor frequentieherstel verantwoordelijke, van een nieuwe richtwaarde en de corresponderende activering of deactivering van de manuele FRR;
144. „maximale momentane frequentieafwijking”: maximaal verwachte absolute waarde van een momentane frequentieafwijking nadat zich een onbalans heeft voorgedaan die gelijk is aan of kleiner dan de referentie-uitvalsituatie waarboven noodmaatregelen geactiveerd worden;
145. „monitoringzone”: deel van de synchrone zone of de complete synchrone zone die fysiek is afgebakend door middel van meetpunten bij interconnectoren naar andere monitoringzones, beheerd door één of meer TSB's die de verplichtingen van een monitoringzone vervullen;
146. „prekwalificatie”: proces ter verificatie van een reserveleverende eenheid of een reserveleverende groep, waarbij de eisen door de TSB zijn vastgesteld;
147. „op- en afregelperiode” of „ramping period”: periode die wordt bepaald door een vast startmoment en een bepaalde duur waarbinnen de input en/of output van werkzaam vermogen wordt verhoogd of verlaagd;
148. „reserve-instruerende TSB”: TSB die verantwoordelijk is voor het geven van de instructie aan de reserveleverende eenheid of reserveleverende groep om FRR en/of RR te activeren;
149. „reserveconnecterende DSB”: DSB die verantwoordelijk is voor het distributienetwerk waarop een reserveleverende eenheid of reserveleverende groep is aangesloten die reserves levert aan een TSB;
150. „reserveconnecterende TSB”: TSB die verantwoordelijk is voor de monitoringzone waarop een reserveleverende eenheid of reserveleverende groep is aangesloten;
151. „reserveontvangende TSB”: TSB die betrokken is bij een uitwisseling met een reserveconnecterende TSB en/of reserveleverende eenheid of reserveleverende groep die is aangesloten op een andere monitoringzone of LFC-zone;
152. „reservevervangend proces” of „RRP” (reserve replacement process): proces voor herstel van de geactiveerde FRR en, aanvullend voor GB en IE/NI, voor herstel van de geactiveerde FCR;
153. „RR-beschikbaarheidsvereisten”: reeks door de TSB's van een LFC-blok opgestelde eisen met betrekking tot de beschikbaarheid van RR;
154. „RR-dimensioneringsregels”: specificaties van het RR-dimensioneringsproces van een LFC-blok;
155. „standaardfrequentiebereik”: vastgesteld symmetrisch interval rond de nominale frequentie waarbinnen de systeemfrequentie van een synchrone zone wordt verondersteld te liggen;
156. „standaardfrequentieafwijking”: absolute waarde van de frequentieafwijking die de grens van het standaardfrequentiebereik aangeeft;
157. „frequentieafwijking in stationaire toestand”: absolute waarde van de frequentieafwijking na een onbalans, als de systeemfrequentie weer gestabiliseerd is;
158. „monitoringverantwoordelijke voor een synchrone zone”: TSB die verantwoordelijk is voor het verzamelen van gegevens voor de frequentiekwaliteitsevaluatiecriteria en voor het toepassen van die criteria ten aanzien van de synchrone zone;
159. „tijdsbeheersingsproces”: proces voor beheersing van de tijd, waarbij tijdsbeheersing een controleactie is die bedoeld is om de tijdsafwijking van het elektriciteitssysteem tussen de synchrone tijd en de UTC-tijd tot nul terug te brengen.