Art. 52 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, Mate van organisatie van de producenten en definitie van een regio
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891
1. Voor de toepassing van artikel 35, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt de mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat berekend op basis van de waarde van de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door:
a) erkende producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties, en
b) de op grond van artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 gevormde producentengroeperingen en de in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde producentenorganisaties en producentengroeperingen.
De waarde van de groente- en fruitproductie wordt gedeeld door de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio.
De waarde van de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die is afgezet door de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde organisaties, unies en groeperingen, omvat alleen de producten waarvoor die producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen zijn erkend. Artikel 22 is van overeenkomstige toepassing.
Alleen de groente- en fruitproductie van de desbetreffende regio die door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en producentengroeperingen en hun leden is afgezet, telt mee in de berekening van die waarde.
Voor de berekening van de totale waarde van de groente- en fruitproductie van die regio is de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 138/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13) beschreven methodiek van overeenkomstige toepassing.
2. De mate van organisatie van de producenten in een regio van een lidstaat wordt als bijzonder zwak beschouwd wanneer de overeenkomstig lid 1 berekende gemiddelde mate van organisatie voor de laatste drie jaar waarover gegevens beschikbaar zijn, minder bedraagt dan 20 %.
3. Alleen voor de groente- en fruitproductie van de regio als bedoeld in de leden 1 en 2, mag nationale financiële bijstand worden verleend.
4. Voor de toepassing van dit hoofdstuk definiëren de lidstaten regio's als op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria zoals hun agronomische en economische kenmerken en hun potentieel op het gebied van landbouw/groente- en fruit, of hun institutionele of administratieve structuur, op zich staande delen van hun grondgebied waarvoor gegevens beschikbaar zijn om de mate van organisatie te berekenen overeenkomstig lid 1.
De voor de toepassing van dit hoofdstuk door een lidstaat gedefinieerde regio's worden ten minste gedurende vijf jaar niet gewijzigd, tenzij een dergelijke wijziging objectief gerechtvaardigd is door substantiële redenen die geen verband houden met de berekening van de mate van organisatie van de producenten in de desbetreffende regio of regio's.
Wanneer een lidstaat om een gedeeltelijke vergoeding van de nationale financiële bijstand overeenkomstig artikel 20 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 verzoekt, heeft een dergelijk verzoek betrekking op dezelfde definitie van de regio's als gespecificeerd in het verzoek om toestemming.