Art. 31 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, Subsidiabiliteit van acties in het kader van operationele programma's
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891
1. Operationele programma's omvatten geen acties of uitgaven die in bijlage II zijn vermeld. Bijlage III bevat een niet-uitputtende lijst van subsidiabele acties.
2. Uitgaven uit hoofde van subsidiabele operationele programma's worden beperkt tot de daadwerkelijk gemaakte kosten. Wel mogen de lidstaten in de volgende gevallen forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten vaststellen:
a) wanneer naar dergelijke forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten wordt verwezen in bijlage III;
b) wanneer bij vervoer per spoor of per schip als onderdeel van een milieubeschermingsmaatregel, in vergelijking met de kosten voor wegvervoer extra externe vervoerskosten per kilometer worden gemaakt.
Daarnaast kunnen de lidstaten besluiten om gedifferentieerde schalen van eenheidskosten te gebruiken waarin rekening wordt gehouden met regionale of lokale kenmerken.
De lidstaten evalueren de forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten ten minste om de vijf jaar.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de desbetreffende berekeningen adequaat en nauwkeurig zijn en vooraf zijn vastgesteld op basis van een eerlijke, billijke en verifieerbare berekening. Daartoe wordt door de lidstaten:
a) ervoor gezorgd dat een orgaan dat functioneel onafhankelijk is van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma, en dat over de nodige deskundigheid beschikt, de berekeningen uitvoert of de adequatie en nauwkeurigheid ervan bevestigt;
b) alle documentatie over de vaststelling van de forfaitaire standaardtarieven of schalen van eenheidskosten en over de evaluatie ervan bewaard.
4. Een actie is slechts subsidiabel indien de producten waarvoor de producentenorganisatie is erkend, meer dan 50 % van de waarde uitmaken van de producten die onder die actie vallen. Daarnaast zijn de betrokken producten afkomstig van de leden van de producentenorganisatie of van bij een andere producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties aangesloten producenten. De artikelen 22 en 23 zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening van de waarde.
5. Investeringen in materiële activa brengen de volgende verbintenissen mee:
a) onverminderd lid 4 worden de verworven materiële activa gebruikt overeenkomstig de bestemming ervan zoals beschreven in het goedgekeurde operationele programma in kwestie;
b) onverminderd de derde en vierde alinea van lid 6 blijven de verworven materiële activa zowel in eigendom als bezit van de begunstigde hetzij tot het einde van de fiscale afschrijvingsperiode van het materiële activum hetzij tien jaar lang indien deze laatste periode korter is. De begunstigde zorgt in die periode ook voor het onderhoud van de materiële activa. Wanneer de investering echter wordt gedaan op grond die in het kader van bijzondere nationale eigendomsregelgeving wordt gepacht, wordt het vereiste om in eigendom van de begunstigde te zijn eventueel niet toegepast, mits de investeringen ten minste gedurende de in de eerste zin van dit punt voorgeschreven periode in bezit van de begunstigde zijn geweest;
c) wanneer de producentenorganisatie de eigenaar, en het lid van de producentenorganisatie de houder is van het materiële activum waarop de investering betrekking heeft, heeft de producentenorganisatie voor de duur van de fiscale afschrijvingsperiode recht op toegang tot dat activum.
De lidstaten mogen evenwel voor de toepassing van het bepaalde in de eerste alinea, onder b), bepalen dat een andere periode geldt dan de fiscale afschrijvingsperiode. Een dergelijke periode wordt vermeld en naar behoren gemotiveerd in hun nationale strategie en bestrijkt ten minste de in artikel 71, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) bedoelde periode.
6. Investeringen, ook die in het kader van leaseovereenkomsten, mogen via het actiefonds worden gefinancierd in één bedrag of in identieke tranches zoals goedgekeurd in het operationele programma. De lidstaten mogen in naar behoren gemotiveerde gevallen wijzigingen van het operationele programma goedkeuren die voorzien in een nieuwe verdeling van de tranches.
Indien de fiscale afschrijvingsperiode van een investering langer is dan de looptijd van het operationele programma, mag deze ook voor het volgende operationele programma in aanmerking worden genomen.
Bij vervanging van investeringen wordt de restwaarde van de vervangen investeringen:
a) toegevoegd aan het actiefonds van de producentenorganisatie, of
b) in mindering gebracht op de vervangingskosten.
Indien de investering vóór het einde van de in lid 5 bedoelde periode wordt verkocht, maar niet wordt vervangen, wordt de Uniesteun die is betaald voor de financiering van de investering, teruggevorderd en teruggestort in het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) naar evenredigheid van het aantal volledige jaren dat tot het einde van de in lid 5, eerste alinea, onder b), bedoelde periode resteert.
7. Acties, waaronder investeringen, die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het operationele programma, mogen worden uitgevoerd op individuele bedrijven of locaties van aangesloten producenten van de producentenorganisatie, unie van producentenorganisaties of hun dochterondernemingen die voldoen aan het vereiste van 90 % als bedoeld in artikel 22, lid 8, ook wanneer de acties worden uitbesteed aan leden van de producentenorganisatie of unie van producentenorganisaties.
Indien de aangesloten producent de producentenorganisatie verlaat, zorgen de lidstaten ervoor dat de investering of de restwaarde ervan door de producentenorganisatie wordt teruggevorderd en in het laatste geval aan het actiefonds wordt toegevoegd.
In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de lidstaten bepalen dat de producentenorganisatie er niet toe verplicht is de investering of de restwaarde ervan terug te vorderen.
8. Acties, waaronder investeringen, die verband houden met de omzetting van groenten en fruit in verwerkte groenten en fruit, kunnen in aanmerking komen voor bijstand indien die acties en investeringen gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelen, met inbegrip van die welke in artikel 160 van die verordening worden bedoeld, en op voorwaarde dat deze zijn opgenomen in de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie.
9. Investeringen in niet-tastbare activa kunnen in aanmerking komen voor bijstand indien die investeringen gericht zijn op de verwezenlijking van de in artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vermelde doelen, met inbegrip van die welke in artikel 160 van die verordening worden bedoeld, en op voorwaarde dat deze zijn opgenomen in de in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 bedoelde nationale strategie.