Art. 19 Verordening (EU) 2016/2336, Evaluatie
1. Uiterlijk op 13 januari 2021 evalueert de Commissie op basis van de rapporten van de lidstaten en van daartoe door haar ingewonnen wetenschappelijk advies het effect van de in deze verordening vastgestelde maatregelen, en bepaalt zij in hoeverre de in artikel 1, onder a) en b), bedoelde doelstellingen zijn verwezenlijkt.
2. De evaluatie richt zich op trends met betrekking tot de volgende onderwerpen:
a) alle voor het vissen op diepzeesoorten gebruikte soorten vistuig, met bijzondere nadruk op het effect op de meest kwetsbare soorten en op VME's;
b) de vaartuigen die zijn overgeschakeld op het gebruik van vistuig met een verminderd effect op de zeebodem, en de vooruitgang met betrekking tot het voorkomen, tot een minimum beperken en, indien mogelijk, uitbannen van onbedoelde vangst;
c) de visserijactiviteiten van bij elk diepzeemetier betrokken vaartuigen;
d) de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens die de lidstaten aan de wetenschappelijke instanties of, in het geval van specifieke gegevensoproepen, aan de Commissie verstrekken om de bestanden te evalueren;
e) de diepzeebestanden waarvoor het wetenschappelijk advies is verbeterd;
f) de doeltreffendheid van de begeleidende maatregelen om de teruggooi uit te bannen en de vangst van de meest kwetsbare soorten te verminderen;
g) de kwaliteit van de krachtens artikel 8 uitgevoerde effectbeoordelingen;
h) het aantal vaartuigen en havens van de Unie waarvoor de uitvoering van deze verordening rechtstreeks gevolgen heeft;
i) de doeltreffendheid van maatregelen die zijn vastgesteld ter waarborging van de duurzaamheid van de diepzeevisbestanden op lange termijn en ter voorkoming van de bijvangst van niet-doelsoorten, met name de meest kwetsbare soorten;
j) de mate waarin VME's daadwerkelijk beschermd zijn dankzij de beperking van toegelaten visserijactiviteiten tot bestaande diepzeevisserijgebieden, de afstandregel en/of andere maatregelen;
k) de toepassing van de dieptelimiet van 800 meter.
3. Op grond van de in lid 1 van dit artikel bedoelde evaluatie kan de Commissie voorstellen tot wijziging van deze verordening doen, voor zover nodig. Als met name uit die evaluatie blijkt dat vissen met bodemvistuig niet in overeenstemming is met de in artikel 1 vastgestelde doelstellingen, kan de Commissie een voorstel indienen tot wijziging van deze verordening waarbij wordt beoogd ervoor te zorgen dat machtigingen voor gerichte visserij voor vaartuigen die bodemtrawls of geankerde kieuwnetten gebruiken, komen te vervallen of worden ingetrokken, en dat alle nodige maatregelen inzake bodemvistuig, waaronder beugvaartuigen, worden genomen om de bescherming van de meest kwetsbare soorten en VME's te waarborgen.