Art. 87, Onderzoeken voor plantenpaspoorten
1. Een plantenpaspoort mag uitsluitend worden afgegeven voor planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een grondig onderzoek overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 heeft aangetoond dat zij voldoen aan de voorschriften van artikel 85 en, waar van toepassing, van artikel 86.
Planten, plantaardige producten en andere materialen mogen hetzij afzonderlijk hetzij aan de hand van representatieve monsters worden onderzocht. Het onderzoek heeft ook betrekking op het verpakkingsmateriaal van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen.
2. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de erkende marktdeelnemer. In de volgende gevallen wordt het onderzoek evenwel door de bevoegde autoriteit uitgevoerd:
a) bij toepassing van lid 3, eerste alinea, onder c), van dit artikel, met betrekking tot inspecties, het nemen van monsters van en het uitvoeren van tests;
b) bij toepassing van artikel 84, lid 2; of
c) wanneer een onderzoek wordt uitgevoerd in de directe omgeving, als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder b), van dit artikel en de erkende marktdeelnemer geen toegang tot die directe omgeving heeft.
3. Het onderzoek voldoet aan alle volgende voorwaarden:
a) het wordt uitgevoerd op daartoe geschikte tijdstippen, waarbij rekening wordt gehouden met de betrokken risico's;
b) het wordt uitgevoerd in de in artikel 66, lid 2, onder d), bedoelde bedrijfsruimten. Indien vereist door de uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 1, artikel 37, lid 4, artikel 41, lid 2, of artikel 54, lid 2, wordt ook een onderzoek uitgevoerd in de directe omgeving van de plaats van productie van de planten, plantaardige producten of andere materialen in kwestie;
c) dit onderzoek gebeurt minstens visueel en wordt aangevuld door:
i) inspecties, monsterneming en tests door de bevoegde autoriteit ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een of meer EU-quarantaineorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, of ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een ZP-quarantaineorganisme in het betrokken beschermde gebied; of
ii) monsterneming en tests ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een door de EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme, in voorkomend geval boven de respectieve drempelwaarden;
d) de resultaten van het onderzoek worden geregistreerd en gedurende ten minste drie jaar bewaard.
Dat onderzoek vindt plaats onverminderd specifieke onderzoeksvoorschriften of maatregelen die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 28, leden 1, 2 of 3, artikel 30, leden 1, 3 of 4, artikel 37, lid 4, artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3. Indien de desbetreffende voorschriften of maatregelen vereisen dat het onderzoek wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteit, wordt het niet uitgevoerd door de in lid 2 van dit artikel bedoelde erkende marktdeelnemer.
4. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vaststellen van gedetailleerde maatregelen betreffende visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van tests, alsmede de frequentie en de tijdstippen van de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, bedoelde onderzoeken met betrekking tot specifieke planten, plantaardige producten en andere materialen op basis van de specifieke risico's van plaagorganisme die zij kunnen opleveren. Die onderzoeken betreffen, waar passend, bepaalde voor opplant bestemde planten die behoren tot prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal, zaaigoed of pootaardappelen, standaard of CAC-materiaal of zaaigoed, zoals respectievelijk bedoeld in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG.
Wanneer de Commissie dergelijke gedelegeerde handelingen voor specifieke voor opplant bestemde planten vaststelt en die voor opplant bestemde planten vallen onder certificeringsregelingen uit hoofde van de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG en 2008/90/EG, legt de Commissie de voorschriften met betrekking tot de onderzoeken naar de aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, van deze verordening vastgestelde maatregelen gelden, en van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen, en met betrekking tot de onderzoeken naar andere kenmerken van de voor opplant bestemde planten uit hoofde van die richtlijnen in één certificeringsregeling vast.
Bij de vaststelling van deze gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en met internationale normen.