Art. 2, Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1) „planten”: levende planten en de volgende levende delen van planten:
a) zaden in botanische zin, met uitzondering van niet voor opplant bestemde zaden;
b) vruchten in botanische zin;
c) groenten;
d) wortelknollen, stengelknollen, knollen, bollen, wortelstokken, wortels, onderstammen, stolonen;
e) scheuten, stengels, uitlopers;
f) snijbloemen;
g) takken, met of zonder loof;
h) gevelde bomen die nog van loof zijn voorzien;
i) bladeren, loof;
j) plantenweefselculturen, met inbegrip van celculturen, kiemplasma, meristemen, chimere klonen, microvermeerderd materiaal;
k) levende stuifmeelkorrels en sporen;
l) knoppen, oculatiehout, stekken, enten, entelingen;
2) „plantaardige producten”: onbewerkte grondstoffen van plantaardige oorsprong alsmede de bewerkte producten die door hun aard of de aard van hun verwerking een risico kunnen vormen van verspreiding van quarantaineorganismen.
Tenzij anders bepaald in de krachtens de artikelen 28, 30 en 41, vastgestelde uitvoeringshandelingen, wordt hout alleen als een „plantaardig product” beschouwd indien het voldoet aan een of meer van de volgende criteria:
a) het heeft geheel of gedeeltelijk zijn natuurlijke ronde oppervlak, met of zonder schors, behouden;
b) het heeft door zagen, snijden of kloven zijn natuurlijke ronde oppervlak niet behouden;
c) het heeft de vorm van plakjes, spanen, deeltjes, zaagsel, resten, schaafsel of afval van hout, en het heeft geen verwerking ondergaan waarbij gebruik is gemaakt van lijm, hitte of druk dan wel een combinatie daarvan om pellets, briketten, plaathout of spaanplaat te produceren;
d) het wordt gebruikt of is bestemd om te worden gebruikt als verpakkingsmateriaal, ongeacht of het al dan niet werkelijk wordt gebruikt voor het vervoer van goederen;
3) „opplant”: iedere handeling betreffende het plaatsen van planten in een groeimedium, het enten of soortgelijke handelingen, teneinde hun verdere groei, reproductie of vermeerdering te bewerkstelligen;
4) „voor opplant bestemde planten”: planten die bedoeld zijn om geplant te blijven, te worden uitgeplant of opnieuw te worden geplant;
5) „ander materiaal”: elk materiaal of voorwerp, met uitzondering van planten of plantaardige producten, dat drager of verspreider van een plaagorganisme kan zijn, met inbegrip van grond of groeimedium;
6) „bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit of autoriteiten van een lidstaat of, indien van toepassing, van een derde land, die verantwoordelijk is voor de organisatie van officiële controles en andere officiële activiteiten, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is opgedragen, overeenkomstig de wetgeving van de Unie betreffende officiële controles.
7) „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling, oorsprong en andere relevante elementen, en dat deel uitmaakt van een zending;
8) „handelseenheid”: de voor het betrokken afzetstadium kleinste commercieel toepasbare of anders bruikbare eenheid, die onderdeel van een partij kan zijn of de gehele partij kan omvatten;
9) „professionele marktdeelnemer”: elke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die zich beroepshalve bezighoudt met en wettelijk verantwoordelijk is voor een of meer van de volgende activiteiten met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere materialen:
a) opplant;
b) veredeling;
c) productie, met inbegrip van groei, vermeerdering en verzorging;
d) binnenbrengen op, verkeer binnen en weg van het grondgebied van de Unie;
e) op de markt aanbieden;
f) opslag, verzameling, verzending en verwerking;
10) „geregistreerde marktdeelnemer”: een professionele marktdeelnemer die geregistreerd is overeenkomstig artikel 65;
11) „erkende marktdeelnemer”: een geregistreerde marktdeelnemer die door de bevoegde autoriteit gemachtigd is om overeenkomstig artikel 89 plantenpaspoorten af te geven, overeenkomstig artikel 98 merktekens aan te brengen of overeenkomstig artikel 99 verklaringen af te geven;
12) „eindgebruiker”: elke persoon die optreedt voor andere dan handels-, bedrijfs- of beroepsdoeleinden en die planten of plantaardige producten verwerft voor persoonlijk gebruik;
13) „test”: een officieel onderzoek, anders dan een visueel onderzoek, om te bepalen of plaagorganismen voorkomen of om plaagorganismen te identificeren;
14) „behandeling”: een officiële of niet-officiële procedure voor het doden, inactiveren, verwijderen of steriliseren van plaagorganismen of voor het devitaliseren van planten of plantaardige producten;
15) „incidentie”: het percentage of aantal eenheden van een plaagorganisme in een monster, zending, veld of andere omschreven populatie;
16) „vestiging”: duurzame aanwezigheid, in de nabije toekomst, van een plaagorganisme in een gebied nadat dat plaagorganisme het gebied is binnengekomen;
17) „uitroeiing”: de toepassing van fytosanitaire maatregelen om een plaagorganisme uit een gebied te verwijderen;
18) „inperking”: de toepassing van fytosanitaire maatregelen in en rond een besmet gebied om te voorkomen dat een plaagorganisme zich verspreidt;
19) „quarantainestation”: elk officieel station voor het in quarantaine houden van plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen;
20) „gesloten faciliteit”: elke andere faciliteit dan quarantainestations waar plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen worden gehouden onder omstandigheden die ontsnappen onmogelijk maken;
21) „traceerbaarheidscode”: een letter-, cijfer- of alfanumerieke code ter identificatie en tracering van een zending, partij of handelseenheid, met codes die verwijzen naar een partij, batch, serie, productiedatum of naar documenten van professionele marktdeelnemers;
22) „fytosanitaire maatregel”: elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken.