Art. 55 Verordening (EU) 2016/1624, Verbindingsfunctionarissen in derde landen
1. Het Agentschap kan deskundigen van zijn eigen personeelsbestand als verbindingsfunctionarissen in derde landen inzetten, die bij de uitvoering van hun taken optimale bescherming moeten genieten. Zij maken deel uit van de plaatselijke of regionale samenwerkingsnetwerken van immigratieverbindingsfunctionarissen en veiligheidsdeskundigen van de Unie en van de lidstaten, waaronder het netwerk dat op grond van Verordening (EG) nr. 377/2004 (34) van de Raad is ingesteld. Verbindingsfunctionarissen worden alleen ingezet in derde landen waarvan de praktijken op het gebied van grensbeheer voldoen aan minimale maatstaven inzake mensenrechten.
2. In het kader van het beleid inzake de externe betrekkingen van de Unie wordt bij de inzet van verbindingsfunctionarissen prioriteit gegeven aan de derde landen die volgens een risicoanalyse een land van herkomst of doorreis voor illegale migratie zijn. Op basis van wederkerigheid kan het Agentschap verbindingsfunctionarissen ontvangen die door deze derde landen ter beschikking zijn gesteld. De raad van bestuur stelt jaarlijks op basis van een voorstel van de uitvoerend directeur de lijst met prioriteiten vast. De inzet van verbindingsfunctionarissen wordt door de raad van bestuur goedgekeurd.
3. De taken van de verbindingsfunctionarissen van het Agentschap omvatten, met inachtneming van het recht van de Unie en de grondrechten, het leggen en onderhouden van contacten met de bevoegde autoriteiten van het derde land waar zij gedetacheerd zijn, teneinde bij te dragen tot het voorkomen en bestrijden van illegale migratie en tot de terugkeer van terugkeerders. De verbindingsfunctionarissen werken nauw samen met de delegaties van de Unie.
4. Het besluit verbindingsfunctionarissen in te zetten in derde landen, vereist voorafgaand advies van de Commissie. Het Europees Parlement wordt van deze activiteiten onverwijld volledig op de hoogte gehouden.