Art. 48 Verordening (EU) 2016/1447, Eisen met betrekking tot blindvermogen en spanning

Verordening (EU) 2016/1447

1. Wat het spanningsbereik betreft:

a) een remote-end HVDC-convertorstation is in staat op het netwerk van het remote-end convertorstation aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de spanningsbereiken (per eenheid) en tijdsperiodes als gespecificeerd in de tabellen 12 en 13 van bijlage VIII. Het toepasselijke spanningsbereik en de gespecificeerde tijdsperiodes worden gekozen op basis van de 1 pu-referentiespanning;

b) bredere spanningsbereiken of langere minimumbedrijfsperiodes kunnen worden overeengekomen tussen de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, en de eigenaar van de DC-aangesloten power park module kunnen, overeenkomstig artikel 40;

c) voor HVDC-interfacepunten met AC-spanningen die niet zijn opgenomen in het bereik als gegeven in bijlage VIII, tabel 12 en tabel 13, specificeert de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, de van toepassing zijnde eisen op de aansluitpunten;

d) wanneer frequenties anders dan nominaal 50 Hz worden gebruikt, zijn op voorwaarde van goedkeuring door de relevante TSB, de spanningsbereiken en tijdsperiodes die door de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, zijn gespecificeerd, in verhouding met die welke zijn gegeven in bijlage VIII.

2. Een remote-end HVDC-convertorstation voldoet aan de volgende eisen op het gebied van de spanningsstabiliteit, op de aansluitpunten wat de capaciteit voor het leveren van blindvermogen betreft:

a) de relevante systeembeheerder specificeert, in overleg met de relevante TSB, de eisen met betrekking tot de capaciteit voor het leveren van blindvermogen op verschillende spanningsniveaus. Daarbij specificeert de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, een U-Q/Pmax-profiel dat elke vorm kan aannemen en gelegen is binnen de grenzen waarbinnen het remote-end HVDC-convertorstation in staat is blindvermogen bij zijn maximale HVDC-transportcapaciteit van werkzaam vermogen te leveren;

b) het U-Q/Pmax-profiel wordt door elke relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, gespecificeerd. Het U-Q/Pmax-profiel is gelegen binnen het in tabel 14 van bijlage VIII gespecificeerde bereik voor Q/Pmax en voor de stationaire spanning, en de positie van de U-Q/Pmax-profielenvelop ligt binnen de grenzen van de vaste buitenste envelop als getoond in bijlage IV. Bij de bepaling van deze bereiken houdt de relevante systeembeheerder, in overleg met de relevante TSB, rekening met de langetermijnontwikkeling van het netwerk.

Vorige artikelen

Volgende artikelen