Art. 25 Verordening (EU) 2016/1447, Fault-ride-through-capaciteit

Verordening (EU) 2016/1447

1. Met inachtneming van artikel 18 specificeert de relevante TSB een spanning-tijd-profiel, als getoond in bijlage V en rekening houdend met het spanning-tijd-profiel als vastgesteld voor power park modules overeenkomstig Verordening (EU) 2016/631. Dit profiel is van toepassing op aansluitpunten bij storingscondities waaronder het HVDC-convertorstation in staat is op het netwerk aangesloten en op stabiele wijze in bedrijf te blijven nadat het elektriciteitssysteem zich heeft hersteld na afschakeling van de fout. Het spanning-tijd-profiel toont een benedengrens van het feitelijke verloop van de gekoppelde spanning op netspanningsniveau op het aansluitpunt gedurende een symmetrische storing, als een functie van de tijd vóór, tijdens en na de storing. Een ride-through-periode die langer duurt dan trec2 wordt door de relevante TSB gespecificeerd in overeenstemming met artikel 18.

2. Op verzoek van de eigenaar van het HVDC-systeem verstrekt de relevante systeembeheerder de condities vóór en na de storing als gespecificeerd overeenkomstig artikel 32, met betrekking tot:

a) het minimumkortsluitvermogen op elk aansluitpunt vóór de storing, uitgedrukt in MVA;

b) het bedrijfspunt van het HVDC-convertorstation vóór de storing, uitgedrukt als opgewekt werkzaam en blindvermogen op het aansluitpunt, en de spanning op het aansluitpunt, en

c) het minimumkortsluitvermogen op elk aansluitpunt na de storing, uitgedrukt in MVA;

Als alternatief kan de relevante systeembeheerder generieke waarden verstrekken die zijn afgeleid uit gelijkwaardige situaties.

3. Het HVDC-convertorstation is in staat op het netwerk aangesloten en op stabiele wijze in bedrijf te blijven wanneer het feitelijke verloop van de gekoppelde spanningen op netspanningsniveau op het aansluitpunt gedurende een symmetrische storing, rekening houdend met de overeenkomstig artikel 32 gespecificeerde condities vóór en na de storing, boven de benedengrens blijft als getoond in de figuur van bijlage V, tenzij het beveiligingsconcept voor interne storingen een ontkoppeling van het HVDC-convertorstation van het netwerk vereist. De beveiligingconcepten en -instellingen voor interne storingen mogen de fault-ride-through-prestaties niet negatief beïnvloeden.

4. De relevante TSB kan spanningen op de aansluitpunten onder specifieke netwerkcondities vaststellen, waarbij het HVDC-systeem mag blokkeren (de „blokkeerspanning” of „Ublock”). Blokkering houdt in dat het systeem met het netwerk verbonden blijft zonder bijdrage van werkzaam en blindvermogen gedurende een tijdsperiode die zo kort als technisch haalbaar is en die wordt overeengekomen tussen de relevante TSB's en de eigenaar van het HVDC-systeem.

5. Overeenkomstig artikel 34 wordt de onderspanningsbeveiliging ingesteld door de eigenaar van het HVDC-systeem overeenkomstig de ruimste technische mogelijkheden van het HVDC-convertorstation. De relevante systeembeheerder kan, in overleg met de relevante TSB, strengere instellingen specificeren overeenkomstig artikel 34.

6. De relevante TSB specificeert de fault-ride-through-capaciteit in het geval van asymmetrische storingen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen