Art. 22 Verordening (EU) 2016/1447, Blindvermogenregelmodus
1. Een HVDC-convertorstation is in staat om in bedrijf te zijn in één of meer van de volgende drie regelmodi, als gespecificeerd door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB:
a) spanningsregelmodus;
b) blindvermogenregelmodus;
c) arbeidsfactorregelmodus.
2. Een HVDC-convertorstation is in staat in bedrijf te zijn in aanvullende regelmodi, gespecificeerd door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB.
3. Ten behoeve van de spanningsregelmodus is elk HVDC-convertorstation in staat bij te dragen tot de spanningsregeling op het aansluitpunt waarbij het gebruikmaakt van zijn capaciteiten, met inachtneming van de artikelen 20 en 21, overeenkomstig de volgende kenmerken van de besturing:
a) de relevante systeembeheerder stelt, in overleg met de relevante TSB, een referentiewaarde voor de spanning op het aansluitpunt vast voor een specifiek operationeel bereik, hetzij continu hetzij in stappen;
b) de spanningsregeling kan in bedrijf zijn met of zonder een dode band rond de referentiewaarde die selecteerbaar is binnen een interval van nul tot +/– 5 % van de 1 pu-referentiespanning. De dode band is aanpasbaar in stappen, als gespecificeerd door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB;
c) na een stapverandering van de spanning is het HVDC-convertorstation in staat:
i) een verandering van 90 % in geleverd blindvermogen te bereiken binnen een door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB te bepalen tijdsbestek t1. Tijd t1 ligt binnen het bereik van 0,1 — 10 seconden, en
ii) zich in te stellen op de door de operationele helling bepaalde waarde binnen een door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB te bepalen tijdsbestek t2. Tijd t2 ligt binnen het bereik van of 1 — 60 seconden, met een gespecificeerde tolerantie in stationaire toestand uitgedrukt als percentage van het maximale blindvermogen.
d) de spanningsregelmodus beschikt ook over de capaciteit om het opgewekte blindvermogen te veranderen op basis van een combinatie van een gewijzigde referentiewaarde van de spanning en een aanvullende blindvermogenscomponent overeenkomstig de instructies. De helling wordt bepaald door een bereik en een stap die door de relevante systeembeheerder in overleg met de relevante TSB worden vastgesteld.
4. Wat de blindvermogenregelmodus betreft, specificeert de relevante systeembeheerder een bereik van het blindvermogen in MVAr of als percentage van het maximale blindvermogen, alsook de desbetreffende nauwkeurigheid op het aansluitpunt, waarbij gebruik wordt gemaakt van de capaciteiten van het HVDC-systeem, met inachtneming van de artikelen 20 en 21.
5. Bij gebruikmaking van de arbeidsfactorregelmodus is het HVDC-convertorstation in staat de arbeidsfactor te regelen naar een streefwaarde op het aansluitpunt, met inachtneming van de artikelen 20 en 21. De mogelijke referentiewaarden zijn beschikbaar in stappen die niet groter zijn dan een door de relevante systeembeheerder vastgestelde toegestane maximumstap.
6. De relevante systeembeheerder specificeert, in overleg met de relevante TSB, apparatuur die vereist is om op afstand de regelmodi en de desbetreffende referentiewaarden te kunnen selecteren.