Art. 2 Verordening (EU) 2016/1388, Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (4), artikel 2 van Verordening (EG) nr. 714/2009, artikel 2 van Verordening (EU) 2015/1222 van de Commissie (5), artikel 2 van Verordening (EU) 2016/631 van de Commissie (6), artikel 2 van Verordening (EU) nr. 543/2013 van de Commissie (7) en artikel 2 van Richtlijn 2009/72/EG.
Bovendien wordt verstaan onder:
1. „verbruiksinstallatie”: een installatie die elektriciteit verbruikt en via één of meer aansluitpunten met het transmissie- of distributiesysteem is verbonden. Een distributiesysteem en/of eigenbedrijfsinstallatie van een elektriciteitsproductie-eenheid vormen geen verbruiksinstallatie;
2. „transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie”: een verbruiksinstallatie die via een aansluitpunt met het transmissiesysteem is verbonden;
3. „transmissiegekoppelde distributie-installatie”: een distributiesysteemaansluiting of de elektrische installatie en apparatuur die bij de aansluiting met het transmissiesysteem wordt gebruikt;
4. „verbruikseenheid”: een ondeelbaar geheel van installaties dat apparatuur omvat die actief, afzonderlijk of gemeenschappelijk als onderdeel van aggregatie van het verbruik via een derde partij, kan worden geregeld door een eigenaar van een verbruiksinstallatie of een GDSB;
5. „gesloten distributiesysteem”: een distributiesysteem dat op grond van artikel 28 van Richtlijn 2009/72/EG door nationale regulerende instanties of andere bevoegde autoriteiten als gesloten distributiesysteem wordt aangemerkt, indien de lidstaat daarin voorziet, en dat elektriciteit distribueert binnen een geografisch afgebakende industriële of commerciële locatie of een locatie met gedeelde diensten en dat niet-huishoudelijke afnemers van elektriciteit voorziet, onverminderd incidenteel gebruik door een klein aantal huishoudens die gevestigd zijn in de zone die door het systeem bediend wordt en die werkzaam zijn bij of vergelijkbare betrekkingen hebben met de eigenaar van het systeem;
6. „belangrijkste verbruiksapparatuur”: ten minste één van de volgende voorzieningen: motoren, transformatoren, hoogspanningsapparatuur op het aansluitpunt en bij het productieproces van de installatie;
7. „transmissiegekoppeld distributiesysteem”: een distributiesysteem dat is gekoppeld met een transmissiesysteem, met inbegrip van transmissiegekoppelde distributie-installaties;
8. „maximale importcapaciteit”: het maximale ononderbroken werkzame vermogen dat een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppelde distributie-installatie op het aansluitpunt uit het net kan opnemen en dat is gespecificeerd in de aansluitovereenkomst of is overeengekomen tussen enerzijds de relevante systeembeheerder en anderzijds de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem;
9. „maximale exportcapaciteit”: het maximale ononderbroken werkzame vermogen dat een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppelde distributie-installatie op het aansluitpunt in het net kan invoeden en dat is gespecificeerd in de aansluitovereenkomst of is overeengekomen tussen enerzijds de relevante systeembeheerder en anderzijds de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem;
10. „ontkoppelen van verbruik bij lage frequentie”: een actie waarbij het verbruik tijdens een gebeurtenis die leidt tot een lage frequentie wordt ontkoppeld om het evenwicht tussen verbruik en productie te herstellen en de systeemfrequentie binnen aanvaardbare grenzen te brengen;
11. „ontkoppelen van verbruik bij lage spanning”: een herstelactie waarbij het verbruik tijdens een gebeurtenis die leidt tot een lage spanning gescheiden wordt ontkoppeld om de spanning binnen aanvaardbare grenzen te brengen;
12. „trappenschakelaar”: een apparaat om de aftakking van een wikkeling te wijzigen terwijl de transformator onder spanning of last staat;
13. „blokkeren van een trappenschakelaar”: een actie waarbij de trappenschakelaar wordt geblokkeerd tijdens een gebeurtenis die leidt tot een lage spanning in het net om ervoor te zorgen dat transformatoren niet verder regelen en de spanningen in een gebied niet meer kunnen aftakken of onderdrukken;
14. „controlecentrum”: het bedrijfsvoeringscentrum van een relevante systeembeheerder;
15. „blokbelasting”: de maximale belastingsstap van werkzaam vermogen dat heringeschakeld kan worden tijdens het systeemherstel na een black-out;
16. „vraagsturing om het werkzaam vermogen te regelen”: het verbruik binnen een verbruiksinstallatie of gesloten distributiesysteem dat door de relevante systeembeheerder of de relevante TSB kan worden aangepast, waardoor het werkzame vermogen wijzigt;
17. „vraagsturing om het blindvermogen te regelen”: het blindvermogen of de blindvermogenscompensatieapparatuur in een verbruiksinstallatie of gesloten distributiesysteem dat of die door de relevante systeembeheerder of de relevante TSB kan worden aangepast;
18. „vraagsturing om transmissiebeperking te beheren”: het verbruik binnen een verbruiksinstallatie of gesloten distributiesysteem dat door de relevante systeembeheerder of de relevante TSB kan worden aangepast om transmissiebeperkingen binnen het systeem te beheren;
19. „aggregatie van het verbruik”: een groep verbruiksinstallaties of gesloten distributiesystemen die als één voorziening of gesloten distributiesysteem kunnen functioneren om één of meer diensten voor vraagsturing te leveren;
20. „vraagsturing op basis van frequentieregeling”: het verbruik binnen een verbruiksinstallatie of gesloten distributiesysteem dat beschikbaar is voor verlaging of verhoging als reactie op frequentiefluctuatie die door een autonome respons van de verbruiksinstallatie of het gesloten distributiesysteem wordt uitgevoerd om dergelijke fluctuaties te reduceren;
21. „vraagsturing om het van het werkzaam vermogen zeer snel te regelen”: het verbruik binnen een verbruiksinstallatie of gesloten distributiesysteem dat zeer snel kan worden aangepast als reactie op een frequentieafwijking, waardoor het werkzame vermogen zeer snel wijzigt;
22. „vraagsturingseenheidsdocument” of „DRUD” („demand response unit document”): een door de eigenaar van de verbruiksinstallatie of het GDSB aan de relevante systeembeheerder verstrekt document dat betrekking heeft op verbruikseenheden met vraagsturing die zijn aangesloten op een spanningsniveau boven de 1 000 V. Dit document bevestigt dat de verbruikseenheid met vraagsturing voldoet aan de in deze verordening vastgelegde technische eisen en dat de nodige gegevens en verklaringen omvat, waaronder een verklaring van overeenstemming.