Art. 14 Verordening (EU) 2016/1388, Eisen betreffende kortsluiting
1. Op basis van de nominale kortsluitvastheid van de componenten van het transmissienet specificeert de relevante TSB de maximale kortsluitstroom op het aansluitpunt waartegen de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of het transmissiegekoppelde distributiesysteem bestand moet zijn.
2. De relevante TSB verstrekt aan de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem een raming van de minimale en de maximale kortsluitstroom die op het aansluitpunt wordt verwacht als equivalent van het netwerk.
3. Na een ongeplande gebeurtenis stelt de relevante TSB de eigenaar van de betreffende transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het betreffende transmissiegekoppelde distributiesysteem daarvan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk één week na de ongeplande gebeurtenis, in kennis van de wijziging van de drempelwaarde voor de maximale kortsluitstroom van het net van de relevante TSB waartegen de betrokken transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of het betrokken transmissiegekoppelde distributiesysteem bestand moet zijn overeenkomstig lid 1.
4. De in lid 3 bepaalde drempelwaarde wordt gespecificeerd door de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie voor diens installatie of door de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem voor diens net.
5. Voorafgaand aan een geplande gebeurtenis stelt de relevante TSB de eigenaar van de betrokken transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het betrokken transmissiegekoppelde distributiesysteem daarvan zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk één week voorafgaand aan de geplande gebeurtenis, in kennis van de wijziging van de drempelwaarde voor de maximale kortsluitstroom van het net van de relevante TSB waartegen de betrokken transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of het betrokken transmissiegekoppelde distributiesysteem bestand moet zijn overeenkomstig lid 1.
6. De in lid 5 bepaalde drempelwaarde wordt gespecificeerd door de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie voor diens installatie of door de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem voor diens net.
7. De relevante TSB verzoekt de eigenaar van een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van een transmissiegekoppelde distributiesysteem om informatie over de bijdrage wat betreft de kortsluitstroom van die installatie of dat netwerk. Ten minste worden de equivalente modellen van het net aangeleverd en aangetoond voor de homopolaire, normale en inverse component.
8. Na een ongeplande gebeurtenis stelt de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem de relevante TSB zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk één week na de ongeplande gebeurtenis, in kennis van een wijziging van de kortsluitingsbijdrage van de door de relevante TSB vastgelegde drempelwaarde.
9. Voorafgaand aan een geplande gebeurtenis stelt de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem de relevante TSB zo spoedig mogelijk, maar ten minste één week voorafgaand aan de geplande gebeurtenis, in kennis van een wijziging van de kortsluitingsbijdrage van de door de relevante TSB vastgelegde drempelwaarde.