Art. 19 Verordening (EU) 2016/1388, Ontkoppelen en herinschakelen van het verbruik
1. Alle transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties en transmissiegekoppelde distributiesystemen voldoen wat betreft de functionele geschiktheid voor ontkoppeling van het verbruik bij lage frequentie aan de volgende eisen:
a) elke beheerder van een transmissiegekoppeld distributiesysteem en, indien door de TSB gespecificeerd, eigenaar van een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie zorgt voor de mogelijkheid om bij lage frequentie automatisch een gespecificeerd gedeelte van het verbruik te ontkoppelen. De relevante TSB kan een ontkoppelsignaal specificeren op basis van een combinatie van lage frequentie en de gradiënt van de frequentie;
b) de functionele mogelijkheden voor ontkoppeling van het verbruik bij lage frequentie staan toe dat het verbruik voor een bereik van operationele frequenties in stappen wordt ontkoppeld;
c) de functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage frequentie staan bedrijfsvoering toe op basis van een door de relevante systeembeheerder gespecificeerde nominale wisselstroomvoeding („AC”), en voldoen aan de volgende eisen:
i) frequentieband: ten minste 47-50 Hz, aanpasbaar in stappen van 0,05 Hz;
ii) aanspreektijd: ten hoogste 150 ms nadat de referentiewaarde voor de frequentie is bereikt;
iii) spanningsblokkering: blokkering van de functionele werking is mogelijk als de spanning binnen een bereik van 30 tot 90 % van de 1 pu-referentiespanning ligt;
iv) voorzien in de richting van de stroom van het werkzaam vermogen op het ontkoppelpunt;
d) de AC-voedingspanning die wordt gebruikt om functionele mogelijkheden voor ontkoppeling van het verbruik bij lage frequentie, wordt door het net ter beschikking gesteld op het meetpunt van het frequentiesignaal, zoals gebruikt voor het ter beschikking stellen van functionele mogelijkheden overeenkomstig lid 1, onder c), zodat de frequentie van de voedingsspanning voor de functionele mogelijkheden voor ontkoppeling van het verbruik bij lage frequentie overeenkomt met de spanning van het netwerk.
2. Wat de functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning betreft, gelden de volgende eisen:
a) de relevante TSB kan in overleg met de beheerders van transmissiegekoppelde distributiesystemen functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning specificeren voor transmissiegekoppelde distributie-installaties;
b) de relevante TSB kan in overleg met de eigenaren van transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning specificeren voor transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties;
c) op basis van de beoordeling van de systeemveiligheid door de TSB is de implementatie van het blokkeren van een trappenschakelaar en de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning bindend voor de beheerders van transmissiegekoppelde distributiesystemen;
d) indien de relevante TSB besluit een functionele mogelijkheid voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning te implementeren, wordt de apparatuur voor het blokkeren van een trappenschakelaar en de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning in overleg met de relevante TSB geïnstalleerd;
e) de methode voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning wordt geïmplementeerd via het relais of geïnitieerd in de controlecentrum;
f) de functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning beschikken over de volgende kenmerken:
i) met de functionele mogelijkheden voor de ontkoppeling van het verbruik bij lage spanning wordt de spanning gemonitord door meting van de drie fasen;
ii) het blokkeren van het relaisbedrijf is gebaseerd op de richting van ofwel de stroom van het werkzaam vermogen of de stroom van het blindvermogen.
3. Wat het blokkeren van trappenschakelaars betreft, gelden de volgende eisen:
a) indien de relevante TSB dat vereist, is de transformator op de transmissiegekoppelde distributie-installatie in staat tot automatisch of handmatig blokkeren van de trappenschakelaar;
b) de relevante TSB specificeert de automatische functionele mogelijkheden voor het blokkeren van de trappenschakelaar.
4. Alle transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties en transmissiegekoppelde distributiesystemen voldoen aan de volgende eisen betreffende het ontkoppelen of herinschakelen van een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppeld distributiesysteem:
a) voor wat betreft de capaciteit tot herinschakelen na ontkoppeling specificeert de relevante TSB de voorwaarden waaronder een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppeld distributiesysteem opnieuw met het transmissiesysteem mag worden gekoppeld. Voor de installatie van automatische systemen voor het herinschakelen is voorafgaande toestemming van de relevante TSB vereist;
b) bij het herinschakelen van een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppeld distributiesysteem moet de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of het transmissiegekoppelde distributiesysteem in staat zijn tot synchronisatie voor frequenties die binnen de in artikel 12 bedoelde bandbreedten liggen. De relevante TSB en de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de beheerder van het transmissiegekoppelde distributiesysteem bereiken overeenstemming over de instellingen van de synchronisatieapparaten voordat de aansluiting van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of het transmissiegekoppelde distributiesysteem plaatsvindt, met inbegrip van de spanning, de frequentie, het bereik van de fasehoek en de afwijking van de spanning en de frequentie;
c) een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of een transmissiegekoppelde distributie-installatie is in staat om op afstand van het transmissiesysteem te worden ontkoppeld indien de relevante TSB dat vereist. Indien vereist wordt de geautomatiseerde ontkoppelapparatuur voor de herconfiguratie van het systeem door de relevante TSB gespecificeerd ter voorbereiding op blokbelasting. De relevante TSB specificeert de vereiste tijd voor ontkoppeling op afstand.