Art. 13 Verordening (EU) 2016/1388, Algemene spanningseisen
1. Transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties, transmissiegekoppelde distributie-installaties en transmissiegekoppelde distributiesystemen zijn in staat op het net aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de in bijlage II opgegeven spanningsbereiken en tijdsperiodes.
2. Apparatuur van distributiesystemen die op dezelfde spanning is aangesloten als de spanning op het aansluitpunt met het transmissiesysteem is in staat op het net aangesloten en in bedrijf te blijven binnen de in bijlage II opgegeven spanningsbereiken en tijdsperiodes.
3. Het spanningsbereik op het aansluitpunt wordt uitgedrukt als de spanning op het aansluitpunt gerelateerd aan de referentiespanning 1 per eenheid (pu). Voor het netspanningsniveau van 400 kV (doorgaans ook het 380 kV-niveau genoemd) is de referentiespanning 1 pu 400 kV; voor andere netspanningsniveaus kan de referentiespanning 1 pu verschillen voor elke systeembeheerder in dezelfde synchrone zone.
4. Wanneer de spanningsbasis voor pu-waarden van 300 kV tot en met 400 kV loopt, kan de relevante TSB in Spanje eisen dat transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties, transmissiegekoppelde distributie-installaties en transmissiegekoppelde distributiesystemen voor onbeperkte tijd binnen het spanningsbereik 1,05 pu — 1,0875 pu aangesloten blijven.
5. Wanneer de spanningsbasis voor pu-waarden 400 kV is, kunnen de relevante TSB's in de synchrone zone van de Baltische staten eisen dat transmissiegekoppelde verbruiksinstallaties, transmissiegekoppelde distributie-installaties en transmissiegekoppelde distributiesystemen op het 400 kV-net aangesloten blijven binnen de grenzen van het spanningsbereik en gedurende de bedrijfsperiodes die gelden voor de synchrone zone van Continentaal Europa.
6. De relevante TSB kan eisen dat een transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie, een transmissiegekoppelde distributie-installatie of een transmissiegekoppeld distributiesysteem in staat is tot automatische ontkoppeling bij specifieke spanningswaarden. De voorwaarden en instellingen voor automatische ontkoppeling worden overeengekomen tussen de relevante TSB en de eigenaar van de transmissiegekoppelde verbruiksinstallatie of de DSB.
7. Wat betreft transmissiegekoppelde distributiesystemen met een spanning van minder dan 110 kV op het aansluitpunt specificeert de relevante TSB het spanningsbereik op het aansluitpunt waarop de op dat transmissienet aangesloten distributiesystemen berekend moeten zijn. De DSB's ontwerpen de capaciteit van hun apparatuur, die is aangesloten op dezelfde spanning als de spanning van het aansluitpunt met het transmissiesysteem, zodanig dat deze overeenkomt met dit spanningsbereik.