Art. 32 Verordening (EU) 2016/631, Procedure voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type B en C
1. Voor de bedrijfsvoeringsnotificatie van een aansluiting van een nieuwe elektriciteitsproductie-eenheid van het type B en C, wordt een elektriciteitsproductie-eenheiddocument („PGMD”) door de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie verstrekt aan de relevante systeembeheerder, dat tevens een verklaring van conformiteit bevat.
Voor elke productie-eenheid binnen de elektriciteitsproductie-installatie wordt een afzonderlijk PGMD ingediend.
2. De indeling van het PGMD en de daarin te verstrekken informatie worden vastgelegd door de relevante systeembeheerder. De relevante systeembeheerder kan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie verzoeken om in het PGMD de volgende gegevens op te nemen:
a) bewijzen van een overeenkomst tussen de relevante systeembeheerder en de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie inzake de beveiligings- en regelinstellingen die relevant zijn voor het aansluitpunt;
b) een gespecificeerde verklaring van conformiteit;
c) gedetailleerde technische gegevens over de productie-eenheid met relevantie voor de netaansluiting als gespecificeerd door de systeembeheerder;
d) door een erkende certificerende instantie verstrekte conformiteitscertificaten met betrekking tot de elektriciteitsproductie-eenheden, wanneer deze als onderbouwing worden gebruikt voor het bewijs van conformiteit;
e) voor elektriciteitsproductie-eenheden van het type C, simulatiemodellen als bedoeld in artikel 15, lid 6, onder c);
f) verslagen betreffende de conformiteitstests, waarin de stationaire en de dynamische prestaties worden aangetoond als vereist overeenkomstig de hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV, inclusief daadwerkelijk bij de tests gemeten waarden, tot op het detailniveau dat door de relevante systeembeheerder wordt geëist, en
g) studies die de stationaire en de dynamische prestaties aantonen, als vereist overeenkomstig de hoofdstukken 5, 6 of 7 van titel IV, tot op het detailniveau dat door de relevante systeembeheerder wordt geëist.
3. Bij aanvaarding van een volledig en toereikend PGMD verstrekt de relevante systeembeheerder een definitieve bedrijfsvoeringsnotificatie aan de eigenaar van de elektriciteitsproductie-installatie.
4. De eigenaar van een elektriciteitsproductie-installatie stelt de relevante systeembeheerder of bevoegde instantie van de lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving in kennis van de permanente uitbedrijfname van een elektriciteitsproductie-eenheid.
5. Indien van toepassing zorgt de relevante systeembeheerder ervoor dat de inbedrijfstelling en uitbedrijfname van elektriciteitsproductie-eenheden van het type B en C op elektronische wijze kunnen worden aangemeld.
6. De lidstaten kunnen eisen dat het PGMD wordt uitgereikt door een erkende certificerende instantie.