Art. 191 Verordening (EU) 2016/429, Algemene voorschriften voor verplaatsingen van waterdieren
1. De exploitanten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat door de verplaatsing van waterdieren de gezondheidsstatus op de plaats van bestemming geen gevaar loopt met betrekking tot:
a) de in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d);
b) nieuwe ziekten.
2. De exploitanten verplaatsen waterdieren slechts naar een aquacultuurinrichting of voor menselijke consumptie of laten waterdieren slechts vrij in het wild, wanneer de betrokken dieren voldoen aan de volgende voorwaarden:
a) zij zijn, met uitzondering van wilde waterdieren, afkomstig uit inrichtingen die:
i) door de bevoegde autoriteit zijn geregistreerd overeenkomstig artikel 173;
ii) door die bevoegde autoriteit zijn erkend overeenkomstig de artikelen 181 en 182, indien vereist uit hoofde van artikel 176, lid 1, artikel 177 of artikel 178, of
iii) een afwijking genieten van de registratievereiste in artikel 173;
b) zij vallen niet onder:
i) de verplaatsingsbeperkingen voor de betrokken soorten en categorieën overeenkomstig de regels van artikel 55, lid 1, artikel 56, artikel 61, lid 1, de artikelen 62, 64 en 65, artikel 70, lid 1, onder b), artikel 74, lid 1, en de artikelen 79 en 81, en de regels vastgesteld krachtens artikel 55, lid 2, de artikelen 63 en 67, artikel 70, lid 3, artikel 71, lid 3, artikel 74, lid 4, en artikel 83, lid 2; of
ii) de noodmaatregelen van de artikelen 257 en 258 en de krachtens artikel 259 vastgestelde regels.
De exploitanten kunnen deze waterdieren echter wel verplaatsen indien voor dergelijke verplaatsingen afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen zijn toegestaan in deel III, titel II (artikelen 53 tot en met 83), of van de noodmaatregelen, in regels vastgesteld krachtens artikel 259.
3. De exploitanten treffen alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat waterdieren na het verlaten van hun plaats van oorsprong rechtstreeks naar hun eindbestemming worden verzonden.