Art. 8 Verordening (EU) 2016/399, Grenscontrole op personen

Verordening (EU) 2016/399

1. Het grensoverschrijdende verkeer aan de buitengrenzen wordt gecontroleerd door de grenswachters. De controle wordt verricht overeenkomstig dit hoofdstuk.

De controle kan ook betrekking hebben op de vervoermiddelen en voorwerpen in het bezit van de personen die de grens overschrijden. Op elk onderzoek is het nationale recht van de betrokken lidstaat van toepassing.

2. Eenieder wordt aan een minimale controle onderworpen tot vaststelling van de identiteit op basis van de overgelegde of getoonde reisdocumenten. Deze minimale controle bestaat in een eenvoudig en snel onderzoek, voor zover opportuun met gebruikmaking van technische voorzieningen en door raadpleging, in de desbetreffende databanken, van informatie die uitsluitend betrekking heeft op gestolen, ontvreemde, verloren of ongeldig gemaakte documenten, naar de geldigheid van het document dat de rechtmatige houder recht van grensoverschrijding geeft en naar eventuele tekenen van namaak of vervalsing.

De in de eerste alinea bedoelde minimale controle is de regel voor personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen.

Bij de minimale controle van personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen, kunnen de grenswachters evenwel, op niet-systematische basis, nationale en Europese databanken raadplegen om zich ervan te vergewissen dat de betrokkene geen reëel, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de binnenlandse veiligheid, de openbare orde, de internationale betrekkingen van de lidstaten dan wel een gevaar voor de volksgezondheid vormt.

Het resultaat van deze raadpleging doet niets af aan het recht van binnenkomst op het grondgebied van de betrokken lidstaat van personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen als bedoeld in Richtlijn 2004/38/EG.

3. Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen als volgt aan een grondige controle onderworpen:

a) de grondige controles bij binnenkomst behelzen de verificatie van de in artikel 6, lid 1, vermelde voorwaarden voor toegang, alsmede, eventueel, van de verblijfs- en werkvergunningen. In dat verband wordt nauwgezet onderzocht:

i) of de onderdaan van een derde land in het bezit is van een document dat geldig is voor grensoverschrijding en waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en dat, in voorkomend geval, vergezeld gaat van het vereiste visum of de vereiste verblijfsvergunning;

ii) of het reisdocument eventuele tekenen van namaak of vervalsing vertoont;

iii) aan de hand van de in- en uitreisstempels in het reisdocument van de betrokken onderdaan van een derde land, en met name door vergelijking van de data van in- en uitreis, of de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten reeds heeft overschreden;

iv) de plaats van vertrek en de plaats van bestemming van de betrokken onderdaan van een derde land, alsmede het doel van het voorgenomen verblijf, indien nodig met controle van de desbetreffende bewijsstukken;

v) of de betrokken onderdaan van een derde land voor de geplande duur en het doel van het voorgenomen verblijf en voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, over voldoende middelen van bestaan beschikt dan wel of hij deze op rechtmatige wijze kan verkrijgen;

vi) of de betrokken onderdaan van een derde land, diens vervoermiddel en de meegevoerde voorwerpen geen gevaar opleveren voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten. Bij die verificatie worden met name gegevens en signaleringen betreffende de betrokken personen en, zo nodig, voorwerpen rechtstreeks bij het SIS en de nationale opsporingsregisters opgevraagd en worden, in voorkomend geval, de bij die signalering passende maatregelen genomen;

b) indien de onderdaan van het derde land houder is van een visum als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), behelzen de grondige controles bij binnenkomst ook de verificatie van de identiteit van de houder van het visum en van de echtheid van het visum, door middel van raadpleging van het visuminformatiesysteem (VIS) overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008;

c) bij wijze van uitzondering kan het VIS worden geraadpleegd aan de hand van het nummer van de visumsticker in alle gevallen en, steekproefsgewijs, aan de hand van het nummer van de visumsticker in combinatie met een verificatie van vingerafdrukken, indien:

i) het verkeer zo druk wordt dat de wachttijden aan de grensdoorlaatposten onredelijk lang worden;

ii) alle middelen op het gebied van personeel, apparatuur en organisatie al uitgeput zijn, en

iii) een evaluatie heeft uitgewezen dat er geen risico op het gebied van de binnenlandse veiligheid en illegale immigratie bestaat.

In alle gevallen waarin echter twijfel bestaat over de identiteit van de houder van het visum en/of over de echtheid van het visum, wordt de raadpleging van het VIS uitgevoerd door een systematisch gebruik van het nummer van de visumsticker in combinatie met een verificatie van vingerafdrukken.

Van deze uitzonderingsregel kan uitsluitend gebruik worden gemaakt aan de desbetreffende grensdoorlaatpost zolang aan de in i), ii) en iii) genoemde voorwaarden wordt voldaan;

d) het besluit tot raadpleging van het VIS overeenkomstig punt c) wordt genomen door de bevelvoerende grenswachter aan de doorlaatpost, of op een hoger niveau.

De betrokken lidstaten stellen de overige lidstaten en de Commissie onverwijld van een dergelijk besluit in kennis;

e) elke lidstaat dient jaarlijks bij het Europees Parlement en de Commissie een verslag in over de toepassing van punt c), met vermelding van het aantal onderdanen van derde landen die in het VIS zijn gecontroleerd aan de hand van het nummer van de visumsticker alleen, en de duur van de in punt c), i), bedoelde wachttijd;

f) de punten c) en d) gelden gedurende een maximumperiode van drie jaar na de inwerkingtreding van het VIS. De Commissie zendt vóór afloop van het tweede jaar van de toepassing van de punten c) en d) het Europees Parlement en de Raad een evaluatie van hun uitvoering toe. Op grond van deze evaluatie kunnen het Europees Parlement en de Raad de Commissie verzoeken de nodige wijzigingen van deze verordening voor te stellen;

g) de grondige controles bij uitreis behelzen:

i) de verificatie dat de onderdaan van een derde land in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument;

ii) de verificatie dat het reisdocument geen tekenen van namaak of vervalsing vertoont;

iii) voor zover mogelijk, de verificatie dat de onderdaan van een derde land niet wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de internationale betrekkingen van een van de lidstaten;

h) naast de onder g) bedoelde controles, kunnen grondige controles bij uitreis ook behelzen:

i) de verificatie dat de betrokkene in het bezit is van een geldig visum, indien zulks op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 vereist is, tenzij de betrokkene houder is van een geldige verblijfsvergunning; deze verificatie kan inhouden dat het VIS wordt geraadpleegd overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 767/2008;

ii) de verificatie dat de betrokkene de maximale duur van het toegestane verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet heeft overschreden;

iii) de raadpleging van signaleringen van personen en voorwerpen in het SIS en in de nationale opsporingsregisters;

i) met het oog op de identificatie van personen die mogelijk niet of niet meer voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten, kan het VIS worden geraadpleegd overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 767/2008.

4. Indien de nodige faciliteiten voorhanden zijn en de onderdaan van een derde land daarom verzoekt, vinden de bedoelde grondige controles in een privéruimte plaats.

5. Onverminderd de tweede alinea worden onderdanen van een derde land die aan een grondige tweedelijnscontrole worden onderworpen, schriftelijk op de hoogte gebracht van het doel en het verloop van deze controle in een taal die zij begrijpen, of redelijkerwijs geacht worden te begrijpen, of op een andere doeltreffende manier.

Deze informatie is beschikbaar in de officiële talen van de Unie en in de taal of talen van het buurland of de buurlanden van de betrokken lidstaat en vermeldt dat de onderdaan van een derde land kan verzoeken dat hem de naam of het dienstidentificatienummer wordt meegedeeld van de grenswachters die de grondige tweedelijnscontrole uitvoeren, alsook de naam van de plaats waar en de datum waarop de grens werd overschreden.

6. De controle van personen die onder het Unierecht inzake vrij verkeer vallen, wordt uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG.

7. In bijlage II staan gedetailleerde voorschriften betreffende de te registreren informatie.

8. Wanneer artikel 5, lid 2, onder a) of b), van toepassing is, kunnen de lidstaten ook in afwijkingen van de in dit artikel genoemde regels voorzien.