Art. 12 Verordening (EU) 2016/399, Vermoeden betreffende het voldoen aan voorwaarden inzake verblijfsduur

Verordening (EU) 2016/399

1. Wanneer in het reisdocument van een onderdaan van een derde land geen inreisstempel is aangebracht, mogen de bevoegde nationale autoriteiten hier het vermoeden aan verbinden dat de houder niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden inzake verblijfsduur die in de betrokken lidstaat van toepassing zijn.

2. Het in lid 1 bedoelde vermoeden kan worden weerlegd wanneer de onderdaan van een derde land op enigerlei wijze geloofwaardige bewijsmiddelen overlegt, zoals vervoerbewijzen of bewijzen van zijn aanwezigheid buiten het grondgebied van de lidstaten, waaruit blijkt dat hij de voorwaarden inzake de duur van een kort verblijf heeft nageleefd.

In dergelijke gevallen geldt het volgende:

a) indien de onderdaan van een derde land zich bevindt op het grondgebied van één van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, vermelden de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken, in het reisdocument van de onderdaan van een derde land op welke datum en welke plaats hij de buitengrens van één van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, heeft overschreden;

b) indien de onderdaan van een derde land zich bevindt op het grondgebied van een lidstaat ten aanzien waarvan het besluit als bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte van 2003, in artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 en in artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2011 niet is genomen, vermelden de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken, in het reisdocument van de onderdaan van een derde land op welke datum en welke plaats hij de buitengrens van die lidstaat heeft overschreden.

Naast de onder a) en b) bedoelde vermeldingen kan de onderdaan van een derde land tevens een formulier als vervat in bijlage VIII worden verstrekt.

De lidstaten brengen hun nationale praktijken met betrekking tot de in dit artikel bedoelde vermeldingen ter kennis van de andere lidstaten, de Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad.

3. Wanneer het in lid 1 bedoelde vermoeden niet wordt weerlegd, kan de onderdaan van een derde land worden teruggezonden overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (28) en overeenkomstig nationaal recht dat in overeenstemming is met voornoemde richtlijn.

4. De betrokken bepalingen van de leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een uitreisstempel ontbreekt.