Art. 8 Besluit (EU) 2015/1333
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van personen die door de Veiligheidsraad of door het Comité op de sanctielijst zijn geplaatst en aan reisbeperkingen zijn onderworpen overeenkomstig punt 22 van UNSCR 1970 (2011), punt 23 van UNSCR 1973 (2011), punt 4 van UNSCR 2174 (2014) en punt 11 van UNSCR 2213 (2015), zoals genoemd in bijlage I.
2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van personen:
a) die betrokken zijn bij of medeplichtig zijn aan het bevelen, toezien op of anderszins aansturen van het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten ten aanzien van personen in Libië, mede door betrokkenheid bij of medeplichtigheid aan het plannen, aanvoeren, bevelen of uitvoeren van aanvallen, met schending van het internationaal recht, onder meer door luchtbombardementen, tegen de burgerbevolking en de infrastructuur, of van personen die namens hen of op hun aanwijzing handelen;
b) van wie is vastgesteld dat zij betrokken waren bij het repressieve beleid van het voormalige regime van Muammar Kadhafi in Libië of anderszins formeel met dat regime verbonden waren, en die onverminderd een risico vormen voor de vrede, de stabiliteit of de veiligheid van Libië of voor de succesvolle voltooiing van de politieke transitie in het land;
c) die betrokken zijn bij of steun verlenen aan handelingen die de vrede, de stabiliteit of de veiligheid van Libië bedreigen, of die de succesvolle voltooiing van de politieke transitie in het land belemmeren of ondermijnen, onder meer door:
i) handelingen te plannen, aan te sturen of uit te voeren die een schending vormen van de toepasselijke internationale mensenrechtenwetgeving of het internationale humanitaire recht, of een inbreuk op de mensenrechten vormen, in Libië;
ii) aanvallen uit te voeren tegen lucht-, land- en zeehavens in Libië, of tegen een Libische staatsinstelling of -installatie, of tegen een buitenlandse missie in Libië;
iii) steun te verlenen aan gewapende groepen of criminele netwerken, onder meer door de illegale ontginning van ruwe aardolie of andere natuurlijke hulpbronnen in Libië;
iv) bedreigingen te uiten jegens of dwang uit te oefenen op financiële instellingen van de Libische staat of de Libische nationale oliemaatschappij, of door handelingen uit te voeren die kunnen leiden tot of resulteren in verduistering van fondsen van de Libische overheid;
v) de bepalingen van het wapenembargo tegen Libië, vastgesteld in UNSCR 1970 (2011) en in artikel 1 van dit besluit, te overtreden of door steun te verlenen aan het omzeilen ervan;
vi) op te treden voor, namens of op aanwijzing van op de lijst geplaatste personen of entiteiten;
d) die fondsen van de Libische overheid in hun bezit hebben, of daarover zeggenschap uitoefenen, die tijdens het voormalige regime van Muammar Kadhafi in Libië wederrechtelijk zijn verkregen en die kunnen worden ingezet om de vrede, de stabiliteit of de veiligheid van Libië te bedreigen of om de succesvolle voltooiing van de politieke transitie in het land te belemmeren of te ondermijnen,
als genoemd in bijlage II bij dit besluit.
3. De leden 1 en 2 houden niet in dat de lidstaten verplicht zijn hun eigen onderdanen de toegang tot het grondgebied te ontzeggen.
4. Lid 1 is niet van toepassing wanneer het Comité vaststelt:
a) dat de reis gerechtvaardigd is om dringende humanitaire redenen, religieuze voorschriften daaronder begrepen; of
b) dat een ontheffing een gunstige invloed zou hebben op de nagestreefde vrede en nationale verzoening in Libië en de stabiliteit in de regio.
5. Lid 1 is niet van toepassing wanneer:
a) binnenkomst of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijk proces; of
b) een lidstaat per geval vaststelt dat deze binnenkomst of doorreis nodig is om vrede en stabiliteit in Libië dichterbij te brengen en de lidstaat vervolgens het Comité binnen 48 uur op de hoogte brengt van deze vaststelling.
6. Lid 2 laat de gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:
a) als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;
b) als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door of plaatsvindt onder auspiciën van de VN;
c) krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent; of
d) krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Staat Vaticaanstad) en Italië.
7. Lid 6 wordt ook geacht van toepassing te zijn op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
8. De Raad wordt terdege geïnformeerd over alle gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 6 of lid 7 een ontheffing verleent.
9. De lidstaten kunnen ontheffing van de krachtens lid 2 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden, of om vergaderingen bij te wonen van intergouvernementele instanties, met inbegrip van door de Unie geïnitieerde vergaderingen of vergaderingen waarvoor de Unie als gastheer optreedt, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, waar een politieke dialoog wordt gevoerd waarmee de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in Libië rechtstreeks worden bevorderd.
10. Een lidstaat die de in lid 9 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn toegestaan, tenzij door één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling, schriftelijk bezwaar wordt gemaakt bij de Raad. Indien door één of meer leden van de Raad bezwaar wordt gemaakt, kan de Raad met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgenomen ontheffing te verlenen.
11. Wanneer een lidstaat krachtens de leden 6, 7, en 9 een machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van op de lijst in bijlage I of bijlage II geplaatste personen, dan geldt deze machtiging uitsluitend voor het doel waarvoor ze is verleend en voor de daarbij betrokken personen.