Art. 40 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Bemiddelingsprocedure
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014
1. Een lidstaat kan binnen 30 werkdagen na ontvangst van de in artikel 34, lid 3, tweede alinea, bedoelde formele mededeling van de Commissie een aangelegenheid aan het Bemiddelingsorgaan voorleggen door een met redenen omkleed verzoek om bemiddeling toe te zenden aan het secretariaat van het Bemiddelingsorgaan.
De te volgen procedure en het adres van het secretariaat worden ter kennis van de lidstaten gebracht via het Comité voor de Landbouwfondsen.
2. Een bemiddelingsverzoek is slechts ontvankelijk indien het bedrag waarvoor volgens de mededeling van de Commissie onttrekking aan Uniefinanciering wordt overwogen:
a) hoger is dan 1 miljoen EUR,
of
b) ten minste 25 % uitmaakt van de totale jaarlijkse uitgaven van de lidstaat in het kader van de betrokken begrotingsposten.
Bovendien kan de voorzitter van het Bemiddelingsorgaan een bemiddelingsverzoek ontvankelijk verklaren indien de betrokken lidstaat tijdens de voorafgaande besprekingen heeft gesteld en aangetoond dat het gaat om een principekwestie betreffende de toepassing van de Unievoorschriften. Een dergelijk verzoek is echter niet ontvankelijk indien het uitsluitend een zaak van juridische interpretatie betreft.
3. Het Bemiddelingsorgaan verricht zijn onderzoekingen zo informeel en zo snel mogelijk en baseert zich daarbij uitsluitend op het bewijsmateriaal waarover de Commissie ten tijde van de mededeling van de formele conclusies overeenkomstig artikel 34, lid 3, beschikt en op billijk hoor en wederhoor van de Commissie en de betrokken nationale autoriteiten.
Indien de lidstaat het echter noodzakelijk acht om in zijn bemiddelingsverzoek informatie op te nemen die nog niet aan de Commissie is meegedeeld, kan het Bemiddelingsorgaan de Commissie vragen deze nieuwe informatie slechts te beoordelen indien aan de voorwaarden van artikel 34, lid 6, is voldaan. De betrokken informatie dient aan de Commissie te worden meegedeeld uiterlijk twee maanden na toezending van het in artikel 36, onder c), bedoelde verslag.
4. Indien het Bemiddelingsorgaan er niet in slaagt om binnen vier maanden nadat het een zaak voorgelegd heeft gekregen, de standpunten van de Commissie en de lidstaat met elkaar in overeenstemming te brengen, wordt de bemiddelingsprocedure als mislukt beschouwd.
In het in artikel 36, onder c), bedoelde verslag wordt aangegeven om welke redenen de standpunten niet met elkaar in overeenstemming konden worden gebracht. Tevens moet erin worden vermeld of in de loop van de procedure gedeeltelijke overeenstemming is bereikt en of het Bemiddelingsorgaan de Commissie vraagt nieuwe informatie te beoordelen overeenkomstig lid 3, tweede alinea.
Het verslag wordt toegezonden aan:
a) de betrokken lidstaat;
b) de Commissie, die dit onderzoekt alvorens haar conclusies aan de lidstaat mee te delen;
c) de andere lidstaten in het kader van het Comité voor de Landbouwfondsen.