Art. 2 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Herbeoordeling van de accreditering
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014
1. De bevoegde autoriteit oefent, met name op basis van de in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde, door de accrediterende instantie opgestelde certificaten en verslagen voortdurend toezicht uit op de betaalorganen waarvoor zij verantwoordelijk is, en neemt vervolgmaatregelen ten aanzien van eventueel geconstateerde tekortkomingen.
Om de drie jaar brengt de bevoegde autoriteit schriftelijk verslag uit bij de Commissie over het toezicht op de betaalorganen en de monitoring van de activiteiten van de betaalorganen. In het verslag wordt beoordeeld in hoeverre de betaalorganen nog steeds aan de accrediteringscriteria voldoen en wordt een samenvatting gegeven van de maatregelen die genomen zijn om tekortkomingen te verhelpen. De bevoegde autoriteit bevestigt of een betaalorgaan waarvoor zij verantwoordelijk is, nog steeds aan de accrediteringscriteria voldoet.
2. De lidstaten zetten een systeem op om ervoor te zorgen dat informatie die aanleiding geeft tot het vermoeden dat een betaalorgaan niet aan de accrediteringscriteria voldoet, onverwijld aan de bevoegde autoriteit wordt meegedeeld.
3. Wanneer de bevoegde autoriteit heeft geconstateerd dat een geaccrediteerd betaalorgaan niet langer aan een of meer van de accrediteringscriteria voldoet op een manier die dat betaalorgaan kan hinderen bij de uitvoering van de in artikel 1, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 907/2014 bedoelde taken, maakt de bevoegde autoriteit de accreditering van het betaalorgaan onverwijld voorwaardelijk. De bevoegde autoriteit stelt een plan op met maatregelen en termijnen om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen binnen een overeenkomstig de ernst van het probleem te bepalen periode die niet langer is dan twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop de accreditering voorwaardelijk is gemaakt. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie op verzoek van de betrokken lidstaat een verlenging van die periode toestaan.
4. De bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van haar besluit om de accreditering van een betaalorgaan voorwaardelijk te maken, van het op grond van lid 3 opgestelde plan en vervolgens van de voortgang bij de uitvoering van dat plan.
5. Indien de accreditering wordt ingetrokken, accrediteert de bevoegde autoriteit onverwijld een ander betaalorgaan dat aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voldoet, teneinde ervoor te zorgen dat de betalingen aan de begunstigden niet worden onderbroken.
6. Indien de Commissie constateert dat de bevoegde autoriteit haar verplichting om overeenkomstig lid 3 een verbeterplan op te stellen, niet is nagekomen of dat het betaalorgaan nog steeds is geaccrediteerd zonder een dergelijk plan binnen de vastgestelde periode volledig te hebben uitgevoerd, verzoekt zij de bevoegde autoriteit de accreditering van dat betaalorgaan in te trekken tenzij de nodige veranderingen worden aangebracht binnen een periode die de Commissie overeenkomstig de ernst van het probleem bepaalt. In zulke omstandigheden kan de Commissie besluiten de tekortkomingen aan te pakken aan de hand van de in artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde procedure voor de conformiteitsgoedkeuring.