Art. 11 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014, Algemene regels betreffende de declaratie van uitgaven en bestemmingsontvangsten

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014

1. Onverminderd de bij artikel 12 vastgestelde specifieke bepalingen betreffende de declaratie van uitgaven en ontvangsten in verband met openbare opslag, komen de uitgaven en de bestemmingsontvangsten die de betaalorganen uit hoofde van een bepaalde maand declareren, overeen met de daadwerkelijk in die maand betaalde en geïnde bedragen.

Deze uitgaven en ontvangsten worden op de ELGF-begroting geboekt uit hoofde van het begrotingsjaar N.

Daarbij geldt echter het volgende:

a) de uitgaven die mogen worden betaald vóór het van toepassing worden van de bepaling die voorziet in de volledige of gedeeltelijke financiering ervan door het ELGF, mogen niet eerder worden gedeclareerd dan:

— uit hoofde van de maand waarin die bepaling van toepassing is geworden,

of

— uit hoofde van de maand na het van toepassing worden van die bepaling;

b) de bestemmingsontvangsten die de lidstaat de Commissie verschuldigd is, worden gedeclareerd uit hoofde van de maand waarin de bij de Unieregelgeving bepaalde termijn voor de betaling van de betrokken bedragen verstrijkt;

c) de correcties die de Commissie in het kader van de boekhoudkundige goedkeuring en de conformiteitsgoedkeuring van de rekeningen vaststelt, worden door de Commissie rechtstreeks afgetrokken van of opgeteld bij de maandelijkse betalingen als bedoeld in, naargelang van het geval, artikel 33, lid 2, of artikel 34, lid 8. De lidstaten nemen de met deze correcties overeenstemmende bedragen evenwel op in de declaratie die wordt opgesteld uit hoofde van de maand waarvoor de correcties worden verricht.

2. De uitgaven en de bestemmingsontvangsten worden in aanmerking genomen op de datum waarop de rekening van het betaalorgaan is gedebiteerd of gecrediteerd. Voor de betalingen kan de in aanmerking te nemen datum evenwel de datum zijn waarop het betrokken betaalorgaan het betalingsdocument heeft opgesteld en aan een financiële instelling of aan de begunstigde heeft toegezonden. Elk betaalorgaan gebruikt gedurende het hele begrotingsjaar dezelfde methode.

3. De overeenkomstig lid 1 gedeclareerde uitgaven en bestemmingsontvangsten kunnen correcties omvatten van de bedragen die zijn gedeclareerd uit hoofde van de voorgaande maanden van hetzelfde begrotingsjaar.

Indien correcties van bestemmingsontvangsten op het niveau van een betaalorgaan tot het declareren van negatieve bestemmingsontvangsten voor een begrotingsonderdeel leiden, worden de correcties die te veel zijn om op een nulsaldo uit te komen, overgedragen naar de volgende maand. Zij worden in voorkomend geval geregulariseerd bij de boekhoudkundige goedkeuring van de rekeningen over het betrokken begrotingsjaar.

4. Niet-uitgevoerde betalingsopdrachten en betalingen waarvoor na de debitering van de rekening weer een creditering heeft plaatsgevonden, worden in mindering gebracht op de uitgaven uit hoofde van de maand waarin de niet-uitvoering of de annulering ter kennis van het betaalorgaan is gebracht.

5. Ten laste van het ELGF te verrichten betalingen die worden verrekend met vorderingen, worden met het oog op de toepassing van lid 1 geacht in hun geheel te hebben plaatsgevonden:

a) op de datum van betaling van het aan de begunstigde verschuldigde bedrag indien de vordering lager is dan de betaalbaar gestelde uitgave;

b) op de datum van verrekening indien de uitgave niet hoger is dan de vordering.

6. De uiterlijk op 27 oktober aan de Commissie te verstrekken gecumuleerde gegevens over de aan een begrotingsjaar toe te rekenen uitgaven en bestemmingsontvangsten kunnen uitsluitend worden gecorrigeerd in het kader van de jaarrekeningen die overeenkomstig artikel 102, lid 1, eerste alinea, onder c), iii), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de Commissie moeten worden verstrekt.

Vorige artikelen

Volgende artikelen